maandag 28 augustus 2017

Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

[ook in de digitale versie die ik las, heeft dit boek als ondertitel] roman. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2017 (e-boek op basis van de eerste papieren druk, 2017).

Als er één ding duidelijk blijkt uit alle - doorgaans positieve, maar tegelijk over de genre-aanduiding struikelende - recensies, dan is het dat dit boek allerlei is, maar geen (doorsnee-) roman. Het is trouwens ook geen verhalenbundel, geen dichtbundel, geen essaybundel, geen verzameling beschouwingen, geen plaatjesboek, geen graphic novel, geen bloemlezing, geen veldboeket zkv's, geen autobiografie, geen klimatologisch rapport, geen onderzoeksverslag, geen wat-dan-ook. Een handiger ondertitel was misschien geweest: literatuur, of: bellettrie. Gemakkelijkste ondertitel wellicht: geen. Of, bij nader inzien, best goed gekozen, deze ondertitel: roman.

Al dat geneuzel in recensies over plot, personages, (thematische) samenhang, klimaatbeschouwing (met als literair-kritisch dieptepunt de opmerking: 'Er is aan Lieke Marsman geen grote realistische romancier verloren gegaan', een gotspe in de orde van: er is aan Lionel Hampton geen groot trombonist verloren gegaan) is een hilarische demonstratie van een klamme generische hokjesgeest. Dit boek is ronduit een literair leesboek, en wel een dat je alle hoeken van je binnenkamertje en de buitenwereld laat zien. Heerlijk. Wat literatuur (onder andere) moet zijn.

Alleen plaatjes staan er niet in; maar voor de rest zo veel wèl, dat ik althans die plaatjes geen seconde miste. Ik was voor de eerste lectuur al wel 'gewaarschuwd', maar dat hielp niet: ik struikelde  blij-verbaasd drieëndertig keer rond in dit boek; en bij tweede lezing vierenzestig keer. Het lijkt me zowel roman, als (quasi-) autobiografie, als ook filosofie, als ook essay, als ook poëtisch, als ook afstandelijk en tevens navelstaarderig beschouwend, poëticaal, sekse- en/of gender-kritisch, eco-kritisch, nou ja, dat doet er allemaal ook niet toe. Het is een leesfeest, dat tegelijk een feest van verwarring in je hoofd veroorzaakt.

Dus: nee, het boek biedt geen antwoorden, geen eenduidige antwoorden in ieder geval. Maar het stelt wel veel zaken aan de orde, en legt tegelijk uit waardoor de aangekaarte problemen zo problematisch zijn. Als ik er een les uit zou moeten trekken, dan deze: dat de mens eindelijk eens zou moeten leren bescheidener te zijn; een les die Marsman opmerkelijk genoeg duidelijk probeert te maken door als naamgeving van het huidige geologische tijdvak voor te stellen: het antropoceen. Een paradox meer of minder,  zoals ook die van de genre-aanduiding, - Marsman draait haar pen er niet voor om met een schijnbaar luchthartig schrijfgemak. Knap, zeker waar het boek enerzijds navelstaarderig zou kunnen lijken, maar het dat toch niet is. Het schiet maar heen en weer van literatuur naar filosofie naar eco-pessimisme naar liefdesverdriet naar de wereld en naar de lezer en weer terug.   


vrijdag 25 augustus 2017

Richard Powers, Het zingen van de tijd

Vertaald door Mieke Lindenburg. 5e druk. Olympus (onderdeel van Atlas Contact), Amsterdam 2014. Paperback à 765 bladzijden, exclusief twee pagina's noten van de vertaalster. 1e dr. 2003. Oorspr. The Time of Our Singing (2003).

Episch, lijkt me een goede karakterisering van deze vuistdikke roman. Het is een veel meer dan alleen zijn eigen levenstijd overschouwend relaas van Joey Strom, opgetekend in 2001. De onderliggende geschiedenis begint in zekere zin op Paaszondag 1939 wanneer de Duitse, Joodse natuurkundige David Strom en de Amerikaanse, gekleurde zangeres Delia Daley elkaar ontmoeten tijdens het door 75.000 mensen bezochte openluchtconcert van de eveneens Afro-Amerikaanse zangeres Marian Anderson; zij zong op de treden van het Lincoln Memorial, toen de 'Daughters of the American Revolution' weigerden haar op te laten treden in de Constitution Hall in Washington, D.C. Maar deze (familie)geschiedenis reikt veel verder terug, tot in 1843, en tot vele eeuwen ervoor.

Die onoverzichtelijke historische dimensie, die zich zo moeilijk verhoudt tot elk individueel mens, vormt het centrale thema van deze roman. Meer in het bijzonder gaat het verhaal over ras (en het door mensen daar aan verbonden rassenonderscheid); ras als een dominante, dwingende bovenpersoonlijke dimensie, en rassenonderscheid dat het de individuele mens vrijwel onmogelijk maakt om in de maatschappij eigen-zinnig en vrij te handelen en te zijn wie hij of zij denkt, voelt en wenst te zijn.

Centrale personages zijn de broers Jonah en Joey Strom, al in hun vroegste jaren door hun ouders met muziek overladen en al heel vroeg zeer getalenteerd als zanger, respectievelijk (begeleidend) pianist. Vooral Jonah is uitzonderlijk begaafd en zijn prestaties worden bijzonder intens en lyrisch en liefdevol door zijn broertje beschreven. De muzikale extase die Jonah - ook bij zijn publiek - steeds weer weet te bereiken, blijkt geleidelijk ook zijn doem, zeker in de ogen van hun jongere, niet minder muzikaal begaafde zus Ruth; het zusje dat zij wanneer ze aan hun carrière bouwen, uit het oog verliezen; het zusje dat ziet hoe haar broers de gewelddadig racistische (Amerikaanse) samenleving uit het oog verliezen, om wille van hun ideale muziek, waarvan zij, wat naïef, veronderstellen dat die mensen samenbrengt, zoals muziek het jonge gezin regelmatig innig verbond met improvisatie-avonden.

Belangrijke kanttekening is dat David Strom en Delia Daley eigenlijk niet met elkaar konden en mochten trouwen, een witte en een zwarte, anno 1940 in Amerika. Dwars door alle verbod, weerstand en afkeer heen doen ze dat wel en zetten hun lichtgekleurde kinderen in die maatschappij, kinderen die in de ogen van de witten zwart, in de optiek der zwarten wit zijn. David en Delia onderwijzen hen  thuis, sturen ze niet naar gesegregeerde scholen, en proberen ze op te voeden tot een eerste generatie kleur-vrije mensen.

De roman vertelt (dus) allerlei hoogte- en dieptepunten, vooral uit het leven van Jonah en Joey; en dat gaat vaak van dik hout. Van effectbejag en pathetiek is deze roman van Powers niet vrij. Maar eerlijk gezegd vond ik dat helemaal niet erg.

Ik denk dat dat mede kwam doordat deze hele familie-saga verweven is met talloze feitelijkheden uit de (Amerikaanse) sociale en culturele geschiedenis, en niet te vergeten met voortschrijdende denkbeelden omtrent het wezen van de tijd; dit laatste vooral via David Strom, die zich aan de universiteit onledig houdt met post-Einsteiniaanse natuurkundige theorieën, die hij - via Powers - behoorlijk aanschouwelijk weet te maken, inclusief de consequenties die ze hebben voor wat gewone mensen denken dat tijd is.

Maar vooral de historische uitingen van alledaags racisme, die Powers door deze fictieve saga weeft, maken het lezen van deze roman tot een onthutsende ervaring. De vertelling loopt door tot en met de Rodney King-rellen in april-mei 1992, en het is niet moeilijk de lijn door te trekken met de actualiteit van de V.S. dagelijks in de krant (ik bedoel natuurlijk niet dat racisme alleen daar voorkomt).

Een andere actualiteit maakt dit boek ook pikant: het recent ook in Nederland opgelaaide vuur van het racisme- en (culturele)toe-eigeningsdebat. Pikant, omdat Richard Powers, als ik het goed zie, tamelijk wit is (maar wat zou het; meerdere personages in zijn roman wijzen erop dat geen enkel ras 'zuiver' is; Joey, onder anderen, weet dat te waarderen want 'de uniformiteit [houdt] alles wat uiteenloopt er alleen maar onder [...] dankzij pure terreur. Zonder vermenging stagneert de wereld.')

P.S.
De Nederlandse vertaling bevat deze zin, die betrekking heeft op de improvisatie-avonden van de familie Strom: 'Brokken Barber vanuit de badkamer botsten op Carmen die uit de keuken klonk.' Dan denk ik: het origineel zal net zo goed zijn.

dinsdag 2 mei 2017

Arjen Fortuin, Geert van Oorschot, uitgever

Gebonden, met stofomslag en leeslint. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 763 blz. inclusief Epiloog, Noten, en Bijlagen, exclusief fotokaternen.

Het is al weer eventjes geleden dat dit op klassiek-Van Oorschotse wijze uitgevoerde boek verscheen (november 2015), iets minder lang geleden dat ik het kocht (19 december 2015, in Groningen, in de context van een bezoek aan de Bowie-tentoonstelling), en korter geleden dat ik erin te lezen begon. En nu heb ik het uit.

De kwaliteiten van deze prachtbiografie zijn inmiddels breed uitgemeten; ik heb daar, meer dan een jaar na de eerste uitgave, weinig aan te voegen. Het is een goed geschreven biografie, een biografie die tevens de geschiedenis van de uitgeverij is, tevens een partiële cultuur- en literatuurgeschiedenis van Nederland.

Het strikt persoonlijk-biografische deel, voor zover dat eruit te isoleren is, heeft wel wat weg van een roman, en dat komt door de denderend pathetische persoonlijkheid van die dragonder van een uitgever. Zie dat portret op het omslag: pure pose. En dat is: het is een pose, en het is de man zoals hij was, of zoals hij voor mijn geestesoog oprijst uit deze biografie. Gepassioneerd, eigengereid, vindingrijk, onverzettelijk, en gaarne bereid door roeien en ruiten te gaan. Een onmogelijke vent dus, die toch ook door velen op handen gedragen en in het hart gesloten werd.

Intrigerend is de uitgebreide en goed gedocumenteerde informatie over het reilen en zeilen van deze literaire uitgeverij, de opmerkelijke combinatie van inhoudelijke hoge kwaliteit en snoeiharde commercie.

Als je het nog niet deed: lezen!

donderdag 27 april 2017

Katie Roiphe, Uncommon Arrangements

Seven Marriages in Literary London 1910-1939. London, Hachette Digital 2010 [oorspr. 2007].

Een bijzonder enerverend en leerzaam en bovendien zeer goed geschreven boek, dat is deze, vanuit een grote, oprechte nieuwsgierigheid opgezette, poly-biografische, historische studie naar het huwelijk. Roiphe noemt in het voorwoord, 'Marriage à la mode', haar belang met het schrijven van dit boek nogal zelfzuchtig, en niet wetenschappelijk: 'In some sense, what I am after is the distilled wisdom of decades lived, of mistakes made, of love stirred by time.' 

Vanwege dat eigen belang duikt ze in de levens van negen huwelijken in een tijd dat dat instituut in bepaalde kringen als het ware opnieuw uitgedacht en doordacht werd, er althans werd geprobeerd andere vormen ervoor te vinden, andere randvoorwaarden en andere invullingen.

De mensen waar haar aandacht naar uitgaat, omschrijft ze als 'those inhabiting the fringe of respectable citizenry'. Het zijn H. G. Wells en Rebecca West; Katherine Mansfield en John Middleton Murry; Elizabeth von Arnim en John Francis Russell; Vanessa en Clive Bell; Ottoline en Philip Morrell; Radclyffe Hall en Una Troubridge; en Vera Brittain en George Gordon Catlin. Ze hebben een Wittgensteinse Familienähnlichkeit (als ze al niet letterlijk familie van elkaar zijn) want of ze kennen elkaar en kwamen bij elkaar over de vloer, of ze kennen vrienden van elkaar, correspondeerden onderling, en ik geloof dat in ieder geval iedereen bekend of bevriend was met Virginia Woolf, die zelf dus niet 'in the picture' komt.

Het zijn literaire en artistieke figuren die bekend, beroemd en soms schandaleus waren of nog steeds zijn. En het zijn ook stuk voor stuk lieden die nou niet echt om geld en vrije tijd verlegen zaten. Prettige 'bijkomstigheid' van die beschikbaarheid van tijd is dat ze – allen gedreven, denkende schrijvers – grenzeloos veel brieven en dagboeken konden produceren, en sommigen ook essays, romans verhalen. Bronnen genoeg dus voor Roiphe, waar nog bij komt dat veel van die lieden goed konden schrijven, net als Roiphe zelf. Uncommon Arrangements is behalve een interessante studie, ook echt een heerlijk leesboek, niet alleen vanwege de inkijkjes in al die niet probleemloze levens, om eens een understatement te gebruiken, maar zeker ook door de fantastische stijl.

Niet alleen de mensen en de schriftelijke bronnen zijn interessant, ook de historische periode. In die tijd was er allerlei gaande op sociaal-cultureel gebied onder andere, zoals een geest van modernisering en voortgaande emancipatie, en een pogen zich ontworstelen aan de erfenis van de hypocriete Victoriaanse tijd door er een nieuw soort persoonlijke oprechtheid tegenover te plaatsen; en ook nog een enorme demografische ontwikkeling ten gevolge van de grote oorlog (er stierven bijzonder veel huwbare mannen), wat dat denken over relatie- en samenlevingsvormen een impuls gaf.

Heel prettig is dat Roiphe nieuwsgierig is en zich zo veel mogelijk tracht te onthouden van oordelen. Ze roept dus bijvoorbeeld niet verontwaardigd: 'Waarom scheiden die idioten niet?' als er een huwelijk vreselijk uit de klauwen giert, maar blijft vragen naar waarom iets gebeurde zoals het gebeurde, en komt, zoekend in die lang vervlogen tijd, vaak tot fraaie inzichten, zoals deze met betrekking tot het niet-be-eindigen van een huwelijk:
But the supreme importance of habit, the inertia of accumulated life, the fidelity toward one's former self, cannot be underestimated. [...] To leave a marriage is to lose time: it is like voluntarily shaving years off one's own life. And then, of course, there is the other maverick, inexplicable substance holding seemingly unhappy people together: love.
Opmerkelijk, maar in overeenstemming met wat er uit haar bronnen naar voren komt, is dat het argument 'maar de kinderen' niet genoemd wordt; kinderen waren echt bijzaak in dezen.

Zo'n zinsnede als 'the inertia of accumulated life' maakt het lezen van dit boek voor mij tot een genot. En anders wel een opmerking als de volgende over Lady Ottoline Morrell: 'She dressed as if she were about to be painted, and often she was.'  En natuurlijk ontkomt Roiphe soms niet aan een oordeel. Maar dat geeft ze dan wel grandioos vorm, zoals na een korte beschrijving van het hoog-autobiografische oeuvre van Vera Brittain: 'She seemed to find it nearly impossible to exhaust the litterary possibilities of herself.' 

vrijdag 14 april 2017

Robert Seethaler, Ein ganzes Leben

Roman. 12. Auflage. Taschenbuchausgabe. Goldmann, München Februar 2016 [1e dr. 2014]. Pocket met flappen, 185 blz.

Werd me vrijwel ex nihilo, maar in het kader van de voorbereiding van een ad hoc-leesgroep, aangeraden, door iemand die me nimmer eerder een boek aanried. Maar hij liet het me zien, vertelde erover en ik was verkocht (niet alleen door de omvang, het formaat, de fraaie uitvoering en de opmerkelijke titel).

Is een enorm verkoopsucces in Duitsland en Oostenrijk, naar het schijnt. Ik had nog nooit van boek of auteur gehoord. Achterop wordt het verhaal samengevat:
Ein Dorf in den Alpen, ein Alltag voller Entbehrungen, das Staunen über die Momente des Glücks – die Geschichte eines Lebens.
Zo ook de stijl van het verhaal, van de vertelling: gortdroog, samenvattende stappen tussen uitgewerkte beschrijvingen van dramatische hoogtepunten, mooie tempowisselingen, weinig tot geen psychologische uitweidingen, en al helemaal weinig dialoog, want een waarheid van een collega waar de hoofdfiguur, Andreas Egger, zich wel in kan vinden, is: 'Wem das Maul aufgeht, dem gehen die Ohren zu.'

De stijl van het vertellen, het taalgebruik van de alwetende vertelinstantie is veel gevarieerder. Er zijn dat soort granieten uitingen, maar ook veel wondermooie volzinnen, zoals de eerste:
An einem Februarmorgen des Jahren neunzehnhundertdreiunddrei ßig hob Andreas Egger den sterbenden Ziegenhirten Johannes Kalischka, der von den Talbewohnern nur der Hörnerhannes gerufen wurde, von seinem stark durchfeuchteten und etwas säuerlich riechenden Strohsack, um ihm über den drei Kilometer langen und unter einer dicken Schneeschicht begrabenen Berpfad ins Dorf hinunterzutragen.
Een tamelijk heroïsch begin, bovendien, waar nog bij komt dat die eerste gebeurtenis bijna surreëel wordt, wanneer de stervende geitenhoeder er toch opeens nog vandoor gaat en uit zicht verdwijnt, en pas een leven later als een soort Ötzi, maar dan met een been eraf, in het ijs wordt teruggevonden. Het leven is van dood doortrokken.

Die Andreas Egger heeft iets heroïsch', doordat zijn herkomst enigszins nevelig en zeker niet burgerlijk verantwoord is; zijn precieze geboortejaar, laat aan het eind van de negentiende eeuw, is onbekend. Hij wordt met tegenzin in een pleeggezin opgenomen, en in zijn jeugd door zijn pleegvader afgebeuld, zozeer zelfs dat het hem een gebroken been en aansluitend een levenslange  hinkende gang oplevert.

Een zwijgzaam, hardwerkend figuur, die, zodra hij dat pleeggezin ontvlucht is, in eenzaamheid net buiten het dorp verderleeft, medewerker wordt van het bedrijf dat de eerste kabelbaan in het dal aanlegt, waardoor later de toeristenindustrie ontstaat, waar Egger zelf eigenlijk niks van moet hebben; hij houdt van stilte, en van de bergen zoals ze waren; hij overleeft een afschuwelijke, maar goeddeels niet verhaalde oorlogsperiode in Rusland; pas aan het eind van zijn leven verlaat hij het dorp nog eenmaal, om er onmiddellijk terug te keren. Hij vindt in dat dorp toch nog, want schuchter is hij, een geliefde, die hem echter al snel door een lawine uit het leven gerukt wordt. En zo volgen er nog meer tegenslagen en ontwikkelingen die met een groeiende moderniteit te maken hebben, waar Egger niets mee te maken zou willen hebben.

Ik was er wel even aan toe, aan zo'n strak geregisseerd verhaal, met weinig moeilijk-doenerij, meer van: 'niet lullen, maar poetsen'. Het boek zou een Heimatsroman genoemd kunnen worden; deed me wel denken aan De vlaschaard bijvoorbeeld, Houtekiet maar met een vleug Manon des Sources en De kleine Rudolf wellicht. Dat werk. Mist, mest en rotsen, niet te veel mensen, niet te veel denken. Maar dus ook weer geen rauwdouwerij en geen friemelig natuurgetut. Misschien had Elsschot zo geschreven als Antwerpen in de Alpen had gelegen.

Laat in zijn van zijn leven komt Egger op geheel onspectaculaire wijze nog een andere vrouw tegen, de dorpslerares. Ze zijn wel aan elkaar gewaagd.
'Der mensch is oft allein in dieser Welt', sagte sie.
     Dann drehte sie sich um. Sie zündete zwei Kerzen an und stellte sie auf den Tisch. Zog die Vorhänge zu. Schob den Riegel vor die Tür.
     'Komm jetzt', sagte sie.
     Egger starrte immer noch auf den dunklen Fleck auf der Tischdecke. 'Ich bin erst bei einer Frau gelegen', sagte er.
'Das macht nichts', sagte die Lehrerin. 'Es ist mir recht.'
Dat werd dus niks meer. 

zondag 9 april 2017

Piet Gerbrandy, Steencirkels

Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2017. 95 bladzijden inclusief de verantwoording. Het omslagontwerp en de typografie van het binnenwerk zijn van de onvolprezen Melle Hammer.

Zoals er mensen schijnen te zijn die niet van de muziek van Tom Waits houden, of die geen waardering kunnen opbrengen voor het werk van Peter Brötzmann, schijnen er ook mensen te zijn die niet houden van de poëzie van Piet Gerbrandy. Heel vreemd.

Beslist doen, zou ik zeggen: Steencirkels lezen. Nu. En nee, daar word je niet vrolijk van. Maar het is overdonderend en indrukwekkend en aangrijpend. Niet zoetgevooisd maar zeer wel luidend; niet subtiel, toch op een bepaalde manier fijnzinnig; nauwelijks olijk, zeker niet lichtvoetig maar nors en zonder haten (zoals een bundel  van Gerbrandy uit 1999 heet). Fors, massief haast; lidwoord-arm en honderd procent kommaloos. Kortom: lapidair. Een geheel, waar moeilijk een onderdeel uit te lichten is (al heeft Gerbrandy onderdelen eruit voorgepubliceerd in zeven periodieken).

Sinds Drievuldig feilloos vals uit 2005 heeft Gerbrandy al zijn gedichten van een 'bodem' voorzien. Die bodem is hier uitgegroeid tot een soort lichtkrant, meer in het bijzonder een onder alle gedichten doorlopende hervertelling van de schepping van de aarde, haar daaropvolgende vernietiging haast in de ijstijd en haar regeneratie daarna en vervolgens het ontstaan van de mens, de totaal alleen staande mens. Paradise lost, maar dan zonder God. De woordvoerders van deze bodemtekst, goddelijken die niet alwetend zijn ('Men vertelt maar bronnen / zijn altijd onachterhaalbaar'), vragen zich af waartoe die mens toch: had de aarde 'niet genoeg meer / aan zichzelf en alles wat tot dan toe had voldaan? Verlangde zij naar iemand / om haar uitputtend in kaart te brengen uit te baten en te duiden? Had zij behoefte aan gezelschap om haar tot in haar diepten uit te wonen?'

Het is onvermijdelijk om in die ene mens ook de mensheid te zien enerzijds en ook, als representant,  de epische held van de gedichten die erboven staan anderzijds: 'Het gaat om een man. / Wij noemen hem O voorlopig. / [...] / Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween.' Aldus het openingsgedicht 'open', waaronder staat: 'Het geldt als beleefd eerst goden de woorden te laten.'

Dit gedicht wordt gespiegeld door het slotgedicht met dezelfde titel. Daartussen staan vijf afdelingen: 'damp', 'loo', 'hol', 'kust' en 'gas'. De geschiedenis lijkt me met de laatste afdeling van het verhaal nog niet afgelopen, als ik denk aan de (volks-)etymologische verwantschap van 'gas' met 'chaos', de woest- en ledigheid waaruit traditioneel de wereld ontstond.

De verhaallijn van Steencirkels staat beknopt in het openingsgedicht:
Dit is waar we gekomen zijn
        een stoombad in de provincie
        een open plek in het bos
        een plein tussen kale gevaarten
        een oliestrand in het westen
        een bed in de smeltende toendra
           en op later later geen kijk.
Steencirkels is dus geen bundeling van losse gedichten, maar een groot, doorlopend maar gefragmenteerd en gevarieerd want ook proza bevattend, verhalend, breed-opgezet episch gedicht, dat heel menselijk en lyrisch, liefdesverdrietig en erotisch is, terwijl het ook die menselijke maat overstijgt, bijvoorbeeld door die bodemtekst en door de indringende eco-kritiek die erin verweven is. 'Misschien', staat op de achterkaft, 'wordt hier de poëzie opgeblazen. Dat moet dan maar.'

Een brisant boek is het, maar dan wel een dat de poëzie verrijkt. Het gedicht-geheel en al de onderdelen apart zijn – zoals min of meer gebruikelijk bij Gerbrandy sinds Drievuldig feilloos vals – voorzien van motto's, ontleend aan klassieke teksten. De vijf centrale onderdelen, bijvoorbeeld, hebben opschriften die zijn ontleend aan de vijf boeken van Boethius' Consolatio Philosophiae.

Het middelste deel, 'hol' getiteld, heeft als motto 'inferna adiit domos', achterin voor de leek vertaald met: 'Hij betrad de woonplaatsen daar beneden'. O bevindt zich dan, volgens het openingsgedicht van het boek, hierboven aangehaald, op 'een plein tussen kale gevaarten'. Op de eerste bladzij van 'hol' heet dat: Is dit een plein? / Is het niet veeleer een kale vlakte / omgeven door stenen gevaarten zonder ziel?' En meteen daaronder zegt een andere stem (cursief weergegeven): 'Wrijf het er maar in. Hier is geen hoop.'

Het is niet moeilijk in deze locatie iets als een Amsterdamse Zuidas te herkennen, en in deze tekst een referentie te zien aan Dante's Inferno. En juist in deze helse afdeling wordt de verwording van de westerse wereld geschetst. In het deel erna, 'kust', komt O terecht in een verbeelding van het half-mythische Ierland. Adriaan Roland Holst ligt om de hoek, als het ware. Vervolgens belandt O op de poolcirkel. Anders dan die van Dante, eindigt zijn (zoek)tocht niet in hemelse sferen, en een Beatrice is er al helemaal niet in te vinden.

'Leegte', staat er in 'hol', 'hoe definitief ook behoeft een locatie. Een plek waarop zij aan te wijzen is. Steencirkel in het gras. Krater in de toendra. Schedel in een prehistorisch graf. Baarmoeder van de singulariteit.' Gerbrandy heeft met dit boek een locatie gemaakt voor de tragische leegte en verlatenheid van O. Het boek is niet gewoon maar poëzie, het is meer. En hiervoor geldt weer eens wat Eliot ooit zei: 'Genuine poetry can communicate before it is understood.' En de bundel is zo mooi opgemaakt door Melle Hammer, die al die uiteenlopende vormen van teksten maar tot een geheel heeft moeten zien te maken; wat hem gelukt is.

Eén klein kanttekeningetje: die paginanummers zijn m.i. echt niet nodig in een boek als dit.

woensdag 1 februari 2017

Juli Zeh, Ons soort mensen

Vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming. 4e dr. Ambo|Anthos, Amsterdam 2016. 670 blz. Hardcover met stofomslag. Oorspr. Unterleuten (2016).

Van Duitsland weet ik feitelijk zo weinig, dat het me geen moeite kost om deze realistische roman niet alleen als een fictieve, maar ook als een reële doch gefictionaliseerde beschrijving van een (mogelijke) Duitse realiteit op te vatten. De geografische naam 'Unterleuten', een voormalig-Oost-Duits gehucht, lijkt me net zo fictief als 'Lutjebroek' in een Nederlandse roman, de referentie aan 'Berlijn' net zo evident een fictionele als ook een reële verwijzing, vergelijkbaar met een referentie aan 'Amsterdam' in een Nederlandse roman.

Niets staat een onbekommerde lectuur van de Nederlandse vertaling in de weg. En: het boek is prachtig, klassiek op de pagina's terechtgekomen. Alleen de titel vind ik een beetje bagger in het Nederlands. Maar een betere weet ik niet, dus daar moet ik niet over zeuren.

Waar ik wel over wil zeuren is de afbreking van 'meteen': meer dan eens verschijnt dat woord op twee regels alsof er een suikerzieke Amsterdammer aan het woord is: 'me teen'. Jammer, maar een detail.

Deze roman is groots. Deze roman is een even vreugdenrijke als van kritische misantropie doortrokken amalgaam van - ik doe een gokje - Couperus' De boeken der kleine zielen, Streuvels' De vlaschaard, Claus' De Metsiers en Jonathan Franzens Freedom. Alleen speelt het gebeuren zich af in 2010 en in een voormalig Oost-Duits plattelandsdorp, Unterleuten, waar naast oer-Ossies ook moderne nieuwelingen wonen, waar de geschiedenis van voor de val van de muur nog niet verleden, laat staan verwerkt is, waar het landelijke natuurschoon, biotoop van de kemphaan, bedreigd wordt door de bouw van zeer verantwoorde en gemeentekasspekkende windmolens, en waar mede op basis van die gegevens talloze persoonlijke geschiedenissen, dra- en trauma's zich ontwikkelen, verknopen, tot een climax aanwassen en exploderen dan wel eroderen.

Het boek omvat 62 hoofdstukken, Arabisch genummerd en voorzien van de naam van het - per hoofdstuk wisselende - focaliserende personage; alleen het 62ste wijkt ik zoverre af, dat daarin, als een duveltje uit het spreekwoordelijke doosje, ene Finkbeiner centraal staat, Lucy Finkbeiner, de journaliste die dat dorp eens flink onder de loep heeft genomen nadat ze online een nieuwsbericht had gelezen: 'In een dorp in Oost-Prignitz, in het noordwesten van Brandenburg, was uit een horizontaalfilterput het lijk van een man geborgen.'

In alle hoofdstukken heeft een auctoriale vertelinstantie stevig de stilistische en narratologische touwtjes in handen. Bij alle spectaculaire fragmentatie blijft de roman een sterk geheel. De vertelinstantie presenteert het relaas van Fliess, Franzen (inderdaad), Meiler, Schaller, Gombrowski, Kron, Fliess-Weiland, Wachs, Gombrowski, geboren Niehaus, Seidel en Kron-Hübschke.

De zes Romeins genummerde en van een titel voorziene delen van de roman hebben elk een motto, vaak ontleend aan een van de romanfiguren, soms aan figuren of bronnen die pas bij nader inzien in de roman blijken te figureren. Pas op het allerlaatst blijkt dat Lucy Finkbeiner samenvalt met de vertelinstantie en de implied author.

Inderdaad: dit is een ouderwets opgezette, moderne en kritische en humoristische zedenroman, waar de schrijflust vanaf spat en die de leeslust navenant opwekt.

Frederik haatte de natuur zolang die zich niet in zachte tinten op de beeldscherm-achtergrond van zijn computer bevond.
Ze waren zelfstandig, zelfverzekerd, zelfzuchtig, wandelende selfies, twee steeds in beweging zijnde zelfportretten. Als Meiler zich de nieuwe generatie voorstelde, zag hij een leger van jonge mensen met uitgestrekt rechterarm, niet om de Hitlergroet te brengen, maar om hun eigen gezicht vast te leggen met de smartphone.