donderdag 28 mei 2026

Ali Smith, Gliff

Hamish Hamilton, London, 2024. Paperback, groot formaat, 274 pagina’s. 

Weer gebeurde het: ik begin te lezen, kom er niet meer van los, maar loop er na een tijdje, of iets later, toch in vast; ik lees verder in de Nederlandse vertaling, maar dan blijkt het vastlopen toch wel mee te vallen: de lijnen zijn ook in vertaling niet heel duidelijk door het verhaal getrokken. Dus ga ik in het Engels verder, maar tegen het einde denk ik opnieuw dat ik iets gemist heb, zonder dat ik weet wat dat precies is. Het besluit om de hele roman te herlezen in de Nederlandse vertaling is snel genomen, mede doordat het me moeilijk valt het boek in grote lijnen samen te vatten.

Briar en Rose worden door hun moeder aan hun lot overgelaten wanneer er op een dag een rode lijn om hun huis wordt getrokken. Iemand ontfermt zich over hen – ze zijn ongeveer 15 en 11 jaar oud, wellicht jonger – maar ook die figuur vertrekt, wanneer er een rode lijn wordt getrokken om hun campervan, hun nieuwe verblijf. Rose raakt bevriend met een paard dat in een wei staat achter een leeg huis waar ze hun volgende toevlucht lijken te kunnen vinden; hun helper laat hen er achter met wat geld en ingeblikt voedsel, genoeg voor ongeveer een week. Het paard is voorbestemd voor het abatoir maar Rose denkt eerst dat abbatoirpaard een soortnaam is, en raakt aan het beest gehecht.

Het wankele statuut van de taal of in ieder geval van woorden en hun betekenissen, is een thematische (stippel)lijn in het verhaal, niet alleen omdat de kinderen met de wereld ook de taal nog volop aan het ontdekken zijn. Het is een typisch Ali Smith-trekje dat op de meest onverwachte momenten opduikt, een van de redenen waardoor een Smith-roman zo luchtig lijkt terwijl er ook zwaardere onderwerpen aangesneden worden. In dit geval gaat het om buitensluiting van mensen op ondoorgrondelijke gronden. Politiek gemotiveerde bureaucratie, kan je ook zeggen.

Een tweede Ali Smith-trekje is het stapelen van ingebedde verhalen en verhaallijnen waardoor je eigenlijk geen moment kan voorzien welke kant het uitgaat met de personages.

Het derde is de meer of minder distopische situering terwijl de verhaalwereld tegelijk heel herkenbaar is; van wat er gebeurt kan je (ik, althans) dat minder goed zeggen.

Ik was er zonder nadenken vanuitgegaan dat Briar en Rose zusjes zijn, maar de optie dat Briar een jongen of genderneutraal is, ligt voortdurend op tafel.

Ali Smith, Gliff.
Vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Promeutheus, Amsterdam, 2024. Bibliotheeek-hardback, normaal formaat, 285 pagina’s.

Alles begint met openheid of onduidelijkheid dan wel onvolledigheid. De ik-verteller en zijn/haar/hun zusje gaan met Leif langs bij ‘onze moeder’ (d.w.z. van de ik en het zusje) op haar werk bij de aanlegplaatsingang van het hotel’, ook aangeduid als ‘de rare levereranciersruimte’, waar zij haar zus vervangt die ziek is, maar dat mag niet hardop gezegd worden. De twee kinderen zijn minderjarig, Leif bestuurt de camper bij afwezigheid van hun moeder; wie hij is staat niet vermeld. De zieke tante heet Alada. Zij allen bevinden zich in een door camera’s bewaakte stad of dorp. De gedachte aan 1984 dient zich aan, of minstens de gedachte aan een dystopie, en dat terwijl Smith meestal over de actuele werkelijkheid schrijft.

Wanneer ze terugkeren van het korte bezoek aan de moeder, is hun huis omgeven door een rode verfcirkel. Het zusje loopt pas naar het huis toe als de ik-figuur een opening in die cirkel heeft gekrabd. Een vergelijkbaar ontzag hebben ze voor de magie van taal, formules, woorden.

Leif, waarschijnlijk de vriend of nieuwe partner van hun moeder, neemt de kinderen mee, op reis, maar je kunt ook denken: op de vlucht, maar dan: waarvoor, voorwie, wat is er gaande? In de eerstvolgende nacht blijkt er ook om hun camper een rode lijn te zijn getrokken. Eerder zagen ze al dat een regulier camperveldje onbereikbaar was gemaakt met betonblokken. Kortom: de dystopie krijgt actuele trekken: segregatie, discriminatie, buitensluiting; het onderscheidend kenmerk dat daarvoor de grondslag kan zijn, wordt niet vermeld.

Hoewel ik niet houd van romans met een kunstmatig kinderperspectief, laat ik me door deze ik-verteller en het zusje wel lijmen, waarschijnlijk doordat alles on-gewoon oogt, zonder dat het aan die kwasi-onschuldige kinderblik ligt. Plus: wat op de ene pagina onbeduidend lijkt, wordt op een volgende herhaald en dus in een motieflijn geplaatst; welke precies, is niet meteen duidelijk.

Leif gaat proberen de moeder terug te halen; de twee kinderen laat hij, met proviand en wat geld in een leegstaand huis achter. 

Puntje puntje puntje

Op ongeveer pagina 80 wordt duidelijk dat de ik-verteller achteraf vertelt, minstens vijf jaar later dan de gebeurtenissen. Veel inzicht in de toenmalige situatie lijkt de afstand van de tussenliggende jaren niet geboden te hebben. Tot de eermalige gebeurtenissen hoort een gesprek met de moeder die vertelt dat ze door een klokkenluider mede-klokkenluider werd: het onkruidverdelgingsproduct waarvoor ze de reclame verzorgde was veel giftiger dan ze ooit had gedacht, een onwetendheid die ze dus onbewust verder verspreidde. De moeder werd ontslagen; misschien was dat het begin van het dolende bestaan. Misschien, want wat een roman van Smith aantrekkelijk maakt is ook dat meestal niet duidelijk wordt geschetst hoe de vork en de rand zich verhouden tot de steel en de hoed, zonder dat het gekunsteld onder de vertellerspet wordt gefrommeld; wel heeft het te maken met de beperkte wereldwijsheid van de ik-verteller op moment van het gebeuren; maar er zweeft geen betweterige vertelinstantie boven het verhaal. Steeds ga ik weer twijfelen aan een interpretatie waarvan ik dacht dat die wel af en rond was. Bijvoorbeeld: hoe reëel is nou eigenlijk die rode demarcatie? De ik-verteller heeft weliswaar een keer een rodelijntrekapparaat van een rodelijntrekkende ambtenaar omver getrapt, maar toch...

Er verschijnen metalen muren in straten, weliswaar doorlaatbaar maar het is verboden van die eigenschap gebruik te maken. Re-educatie vindt plaats. Dreiging met (seksueel) geweld. Het is maar goed dat de verteller alles niet goed doorgrondt, want de wereld in het boek zou er dan ondraaglijk onaangenaam uit komen te zien. De montere kindergeest van de verteller en zijn zusje is een goed antidotum. Later wordt de ik-verteller door een medestander in het demarcatielijntrekken aangesproken met ‘vriend’.

Bij een nog latere flash foward is de ik-verteller een willige werknemer in een inpakindustrie en ontkent hij het bestaan van zijn zusje, van wie alle sporen zijn gewist. Hij (hij wordt aangesproken met ‘meneer’) behoort tot de gezaghebbers van een soort werkstrafinrichting.

(misschien raak ik op pagina142 nu toch een beetje de interesse kwijt in het wat rommelig ogende boek; ik mis een stuwende kracht in het verhaal, of korweg een krachtig verhaal; anderzijds vind ik dat voortdurend afdwalen juist een sterke kwaliteit van Smith; maar je moet er wel voor in de stemming zijn)

Met het paard bereiken ze hun vroegere woning, althans de plek waar het huis heeft gestaan waar de rode lijn omheen werd getrokken. De verteller wordt opgepakt en weggevoerd. In het volgende deel, ‘Macht’, dat vijf jaar later speelt, behoort hij tot de leidinggevenden van een inpakindustrie die veel weg heeft van een strafkamp. Macht corrumpeert, blijkt hem (eenduidige referenties door andere personages aan zijn mannelijke identiteit zijn frequenter nu).

Nu eerst maar weer eens iets anders lezen, en dan de Nederlandse vertaling van Glypf (2026).

Geen opmerkingen: