zaterdag 2 mei 2026

André Gide, The Immoralist

Translated from the French by Dorothy Bussy. 10e oplage van de tweede, geheel nieuwe druk. Alfred A. Knopf, New York, maart 1961 (1e dr. 11 april 1930). Barzoi Books.
Oorspr. verschenen als: L’Immoraliste. Het colofon zegt verder dat het copyright daarvan berust bij Mercure de France, 1921; maar ik weet niet beter dan dat de roman voor het eerst verscheen in 1902.
Mijn exemplaar, gebonden, met stofomslag, en met een ruig leven in the
US Air Force achter de rug (blijkens stempels voor- en achterin), blijkt gezet te zijn, met een Linotype, uit de Elzevir No. 3, een bewerking van de oude Elzevir uit een boek van 1634, door Gustave Mayeur in 1878. Fantastisch, zo’n ‘Note on the Type’ achterin het boek.

Berucht of anders wel beroemd werk van André Gide (1869-1951) die in 1947 met de Nobelprijs voor de literatuur werd vereerd.

Lekker gelaagd. Na een voorwoord (p. ix-xi) door de auteur volgt een inleidende brief aan de broer, die minister is, van een van de vrienden van hoofdpersoon Michel (p. 3-7), geschreven in Sidi b.M. en gedateerd 30 juli 189-. Daarna komt de monoloog die Michel houdt ten overstaan van zijn drie vrienden in Sidi b.M. (p. 9-205); het geheel wordt afgesloten door de vriend die het geheel met zijn brief doorgeeft (p. 203-205).

Michel heeft zijn vrienden drie jaar na zijn huwelijk in Tanger weer bijeengeroepen en gaat hun zijn leven vertellen. Uit de inleidende brief aan de minister blijkt dat diens broer een betrekking zoekt voor Michel. Hij, de bevriende broer, twijfelt evenwel aan Michels morele geschiktheid, maar hij wil daar niet over oordelen. Daarmee verhoudt deze kaderverteller zich tot Michels levensverhaal zoals de auteur Gide zich in zijn voorwoord verhoudt tot zijn eigen roman. In zijn woord vooraf staat Gide immers stil bij de tweezijdigheid van Michel, en bij zijn wens zijn boek het midden te laten houden tussen een veroordeling en een verdediging van zijn hoofdpersoon.

Dan is de titel wel beroerd gekozen, lijkt mij, zoals Menno ter Braak dat anno 1935 opmerkte in zijn recensie van de Nederlandse vertaling door Hendrik Marsman. Misschien dat je na lezing van de roman eraan kan gaan denken dat het woord ‘immoralist’ een neutrale term is, de aanduiding voor iemand die zich (überhaupt) niet verhoudt tot de heersende moraal maar zijn eigen gang gaat omdat hij zijn persoonlijke belangen en voorkeuren laat prevaleren. Het woord staat niet in het WNT, wel: ‘immoreel’, met de betekenis ‘Strijdig met de goede zeden, met begrippen van eer en plicht, onzedelijk’, een alles behalve neutrale karakteristiek, lijkt me, vooral door dat ‘goede’. Misschien was ‘amoralist’ beter in overeenstemming met wat Gide zegt te bedoelen.

Al snel wordt duidelijk Michel alleen getrouwd is om zijn stervende vader gerust te stellen. Al tijdens zijn huwelijksreis door Noord-Afrika, krijgt de TBC Michel in zijn klauwen. In plaats van verre wandelingen te maken met zijn vrouw Marceline, hangt Michel liever rond tussen Noord-Afrikaanse jongetjes in de buurt van zijn verblijfplaatsen. Wanneer een zo’n knaap uit een palmboom naar beneden klautert, gebeurt dat ‘swiftly’ en ‘showing a golden nudity beneath his floating garment.’ Rekening houdend met het jaar van verschijnen van de roman wordt hier wel duidelijk welke kant het op kan gaan met de moraal van Michel. Maar vergis je niet, hier is geen vroege Humbert Humbert aan het woord; een halve eeuw voor Nabokov legt Gide nog welbewust vele lagen sluiers van ‘goede’ smaak over de schuilgelegen aspiraties van Michel.

Iedere keer weer verbaast het me nochtans hoe ver en hoe vaak de literatuur in dit soort morele kwesties vooruit heeft gelopen op daadwerkelijke maatschappelijke ontwikkelingen.

Welaan, Michel doorstaat het doodsgevaar van de TBC en ondergaat een vitalistische regeneratie op reis door Italië inmiddels. Hij probeert zijn door opvoeding bezoedelde oude ik terug te vinden. Dat hij op reis is met zijn vrouw, blijkt niet meer uit dit deel van zijn relaas. Doet allerlei fysieks in de warme natuur. Het lijkt Le chant du monde (1935) wel van Jean Giono.

Daarna verliest hij al die Noord-Afrikaanse knaapjes weer uit het oog, krijgt zijn vrouw de TBC en een miskraam, reden voor Michel zich aan haar welzijn te wijden, tot ze terugkeren naar het vader- respectievelijk moederland en Michel zich plots ontpopt als landheer die zich weet te verstaan met zijn hem beliegende en bedriegende onderhorigen, onder wie toch weer wat welgeschapen jeugdige knapen. Tussendoor laat hij ook dat bronstige natuurleven weer achter zich en wijdt hij zich opnieuw aan de archeologie, filologie en zijn tijdelijk docentschap, alsof hij dat geestelijke gedoe nooit had afgezworen. En natuurlijk voert hij goede gesprekken met goede vrienden, gesprekken die in een doorsneerecensie ‘filosofisch’ worden genoemd omdat ze nogal abstract zijn en nergens een voet aan de grond of in de modder krijgen van de werkelijkheid van Michels wederwaardigheden. Waarmee ik maar wil zeggen dat de handelingen in de roman alles behalve concreet, avontuurlijk, laat staan interessant zijn.

Omdat ik niet zo immoreel wil lijken als Michel, lees ik braaf verder tot het einde, opdat er niemand zijn toetsenbord hoeft te bepotelen om mij te vermanen dat ik niet iets mag zeggen over een inmiddels zeer verouderde roman die zijn functie en betekenis wel gehad zal hebben in zijn eigen tijd maar die anno 21-ste eeuw wel met een heel welwillende en historiserende bril op gelezen moet worden, een optisch hulpmiddel dat mij nu even niet ter beschikking staat omdat de wasem van de slaap mij op de varifocus slaat.

Die dan weer zelfgenoegzame en dan weer zichzelf beklagende Michel verveelt me nu al een tijdje, vooral door gebrek aan contra-focalisatie. Hij heeft klaarblijkelijk geen gebrek aan geld of fortuin zelfs, en kan dus maar doen en laten wat hij wil, met een vrouw die hem geen haarbreedte in de weg lijkt te leggen. Deze lezer verzucht dan ook, net als Michel: ‘I dragged along unspeakable ennui’, maar dan doorheen dit boek.

Michel lummelt nog een eind rond, van Palermo naar Toarmina naar Syracuse naar Malta naar Tunis om in een of andere, op niets gebaseerde extase uit te roepen: ‘I feel I have nothing in me that is not noble.’ Een zelf opgeblazen zeepbel. Michels vrouw sterft, en dan is ook ongeveer het verhaal afgelopen, kunstmatig afgerond met een schools ‘THE END’. Van het kader waarin de vertelling werd gezet aan het begin van het boek, is aan het eind geen spoor te bekennen.

Geen opmerkingen: