3rd Edition. Fitzcarraldo Editions, London 2025. Oorspr. 2024. Paperback met flappen, 131 blz. inclusief Notes on Epitaphs en Acknowledgements. Op haar webstek signaleert de auteur drie parallel verschenen Engelstalige uitgaven uit 2024, in de USA, in het VK en in Oostenrijk, daarnaast vertalingen in het Spaans, Duits, Turks en Nederlands, die laatste in 2025 bij Koppernik.
Soms koop ik een boek omdat de uitgever niet alleen inhoudelijk maar ook materieel mooie boeken maakt, en omdat de titel heel erg goed is. En omdat het met prijzen is gelauwerd, waaronder de 2024 Ursula K. Le Guin Prize for Fiction; omdat de prijsjury zegt dat het ‘a work of quietly detonative imagination’ is.
Dat de hoofdfiguur van het dystopische verhaal tot de ondoden behoort, dat haar linker arm van haar lichaam is gevallen, en dat ze een kraai in haar borstkas draagt, neem ik dan voorlopig welwillend op de koop toe; dat het boek uit VII delen bestaat, die elk heel erg veel door één tot drie witregels gescheiden paragrafen bevatten, ook. Dat er al snel weinig werkelijk verhaal te onderscheiden lijkt te zijn, maakt het wel wat lastiger, dat suspenderen.
Maar omdat in het boek dat ik ervoor las, aan het eind een essay stond waarin een paradoxaal soort thematiek werd behandeld, zet ik na de eerste achtendertig bladzijden door, om ook deze multidisciplinaire kunstenares en schrijfster een plaats in m’n bibliotheek te gunnen.
Het probleem is dat een traditionele, tot gewoonte geworden automatische proza-leeshouding niet afdoende is voor een prozakunstwerk als dit. Een novelle of roman of verhalenbundel is het niet, ook al is er steeds iemand aan het woord en soms ook in gesprek met anderen, maar af en toe ook met ‘you’, hoewel die niets terugzegt, die ‘you’ is meer de aangesproken persoon, de afwezige, de verloren geliefde waarschijnlijk, want ‘het’ gaat over honger, rouw en verlies, en kou, niet-(meer-)leven zowel als on-dood.
Inmiddels, na een kerstelijke en oudejaarsige leespauze waarin ik als tussendoortje een ander, en best dik, boek bijna helemaal uit las, ben ik in dit wonderlijke boek van De Marcken gevorderd tot deel IV. De vertelling gaat verder zoals ze hiervoor al ging. De fraaie vorm van het boek verandert ook niet. Maar er is me wel iets nieuws opgevallen.
De delen van het boek hebben alle een eigen titelpagina met daarop het deelnummer en een motto; enkele van die titelpagina’s worden voorafgegaan door een tekening. Of er systeem in zit, weet ik niet. Opmerkelijk is nu dat op dit punt een typografische etiquetteregel wordt geschonden: de tekst van elk deel begint niet op een rechter- maar op een linkerpagina, anders gezegd: de tekst van elk deel begint met een hele opening (zo heet dat, dacht ik)
Via de eigenzinnigheid van de opmaak en een obsessieve kronkel in mijn brein kwam ik op de vergelijking van dit boek met Memoires van een luipaard (2001) van Peter Verhelst, een pareltje in de kroon van het literaire post-modernisme waar ik jarenlang namens mijn collega’s studenten mee heb lastiggevallen in de cursus Moderne Tijd, over de moderne Nederlandstalige letterkunde. Zij, de studenten, bedoel ik, snapten niet veel minder van die novelle of roman dan ik, maar velen raakten er toch eveneens door gefascineerd (en ik hoopte dan dat ze tijdens het tentamen in ieder geval het structurele en literair-historische verschil met een boek als Max Havelaar (1860) duidelijk konden maken).
En zo verschuift dan uiteindelijk toch mijn leeshouding nog naar een ronduit ondergaan van wat er staat, een beetje in de geest van Nijhoffs woorden in een brief aan Achterberg over diens eigen Ballade van de gasfitter: ‘het zal nu wel vanzelf hoe langer hoe helderder worden’.
Of niet, natuurlijk. Ik bedoel: je moet dat ergocentrisch gestuurde volledige duiden en doorgronden bij tijd en wijle achter je durven laten en meedeinen op de golven van de tekst. Zien wat ervan komt.
Een voortzetting van een tocht westwaarts die de hoofdfiguur onderneemt met in zich een leegte van rouw en gemis – zelfs de geïmplanteerde kraai is verdwenen. Kannibalisme is klaarblijkelijk een optie in het domein van de ondoden; het wordt zo zakelijk, afstandelijk en gortdroog verteld, dat het nauwelijks opvalt.
Over de woordafbreking in Engelstalig drukwerk verbaas ik me vaker wel dan niet (‘imagin-/ary’, ‘noth-/ing’); gelukkig weet Fitzcarraldo Editions de inzet van het afbreekstreepje echter tot een absoluut onopmerkelijk minimum te beperken. Maar opeens staat er op pagina 97 een schitterend enjambement: ‘and pause mid- / chew’. En dat gezegd over twee paarden die net paarden. Pas drie regels verder, in de laatste zin van de alinea en van de pagina, beginnend met een schijnbaar tegendraads ‘Finally’, wordt die pauze in het kauwen weer opgeheven, net voor de pagina vol is. Zo goed geschetst is dat, met een zo goede ritmiek (prosodie?) op papier gezet, en zo herkenbaar, dat je er niet eens zelf ooit ‘Huh’ voor tegen twee paarden gezegd hoeft te hebben om het onmiddellijk te begrijpen.
Dat de vertelster iets later onthoofd wordt, en daarbij al dan niet realistische gewaarwordingen heeft omtrent zijn en niet zijn, annex het zijn op twee plaatsen tegelijk, sluit aan bij eerdere dualiteiten in deze fantasierijke roman, maar is wat moeilijk te verkroppen voor iemand die ernaast nog steeds aan het lezen is in een roman die gebaseerd is op de keiharde maar wereldwijd lang genegeerde, afzichtelijke werkelijkheid van de gruwelijke burgeroorlog in Algerije aan het eind van de vorige eeuw (1991-2002), Kamel Daouds indrukwekkende roman Houris (2025).
De werkelijkheid is absurder dan fictie, want de vertelster in Daouds roman werd op zeer jonge leeftijd daadwerkelijk onthoofd, maar die executie mislukte, waardoor zij nu een litteken in haar hals heeft dat op een grimlach lijkt, van oor tot oor, via een kunstmatige opening moet ademen en niet meer spreken kan doordat haar stembanden zijn doorgesneden; in gedachten doet ze haar geschiedenis uit de doeken voor ons, lezers, maar in eerste instantie voor haar nog ongeboren kind, waarvan zij niet weet of zij, alleenstaande vrouw, het wel geboren kan en wil laten worden in een land waar heel de gewelddadige poging tot machtsovername door moslimfundamentalisten totaal verzwegen moet worden.
Onthoofd, wordt de vertelster van It Lasts Forever and Then It’s Over ook nog een aan een kruis gehangen, ondersteboven, met elf anderen (geen idee wie) in een cirkel, als een soort zonnewijzer en de vertelster doet dan quasifilosofisch iets met tijd en ruimte. Een oude vrouw haalt haar van het kruis af en samen zetten ze de tocht naar de oceaan (want dat blijkt het nu te zijn geweest) voort, hand in (ene) hand, de oude vrouw draagt het hoofd van de vertelster, die ongestoord doorvertelt alsof er helemaal niets aan de hand is.
Of het inderdaad om een verstelster gaat of toch om een verteller, of dat het genus van de woordvoerder er niet toe doet, wordt niet duidelijk uit het vertelde (nog een kleine overeenkomst met de eerder genoemde roman van Verhelst). Ik ben onnadenkend in de fuik getrapt van identificatie van de vertellende instantie met de auteur.
Ik moet zeggen dat ik op dit vergevorderde punt van mijn lectuur de dystopie onder mijn ogen zie verworden tot een partij slap gefantaseer, om het netjes uit te drukken. Kennelijk ben ik niet in de wieg gelegd voor dit genre. Maar het helpt een beetje als ik bedenk dat een en ander, dat het geheel zelfs metaforisch kan worden opgevat, als beeld van de verscheurdheid (ja ja) van een mens door verlies, verdriet, rouw.
Het boekje duurde me wat te lang, maar nu heb ik het uit, tikte ik tot slot opgelucht alluderend op de titel.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten