maandag 22 december 2025

Piet Gerbrandy, Het woord en de wereld

Duidingen van een dichter. Door de auteur geselecteerde en bewerkte essays. Een lekker dikke paperback met papier van paperbackkwaliteit (een beetje opdikkend), gezet uit een klassieke Bembo (-achtige, typische paperbackletter), gevat in een opmerkelijk slappe kaft, waardoor het boek goed in de hand van de geleunstoelde of treinreizende lezer ligt, en goed openvalt, en dat een goede bladspiegel heeft op alle, maar liefst 316 bladzijden, inclusief Verantwoording, Bibliografie en Register van namen. Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen, 2025.

Tot mijn schrik moet ik constateren dat ik nog niet volledig ben wat betreft het verzamelen (en lezen) van Gerbrandy’s essays. Zeker in het geval van Gerbrandy is zo’n omissie pijnlijk want deze classicus, dichter en essayist leest wél iedere tekst en ieder oeuvre waar hij over schrijft volledig en grondig. Een steeneik op de rotsen (Meulenhoff, 2003), Omroepers van oproer (Contact, 2006), De jacht op het sublieme (De Bezige Bij, 2014) staan hier op de plank, maar Grondwater (Atlas Contact, 2018) ontbreekt er nog, om maar iets en nog niet alles te noemen want Gerbrandy’s bibliografie is lang, langer dan de opsomming achterin het onderhavige boek, die alleen werk omvat dat bij Atlas Contact (en/of Contact) verscheen.

Wat een kennis, wat een wijsheid, wat een rijke wijsheid en daarop gebaseerde fraaie speculatie. Speculatieve wijsheid, wijsheid die doorborduurt, verbanden legt, verder reikt dan de vele feiten. Inzicht. Uitzicht.

Bijna halverwege dit boek met drieëntwintig, ten behoeve van deze bundeling bijeengegaarde en aangepaste essays, die oorspronkelijk tussen 2018 en 2024 verschenen in uiteenlopende periodieken en boeken, las ik dat Gerbrandy een categoraal-gymnasiale opleiding heeft genoten in Arnhem, mijn woonstee sedert enige jaren. Dat moet in het Stedelijk Gymnasium geweest zijn, dat dicht bij mijn toentertijd nog toekomstige woonst gehuisvest was; de huidige locatie is maar een ietsiepietsie verder; ik ambuleer er dagelijks langs met de hond; dat schept een band. In het betreffende stuk – ‘Waar waart gij, toen ik de aarde grondde?’ – gaat Gerbrandy vol op het orgel over de wormstekige, of moet ik zeggen: uiterst schrale kwaliteit van het middelbare en hogere gymnasiale onderwijs in Nederland. Ik zat als gepatenteerde alfa-neerlandicus al lezend meewarig instemmend te knikken, met enig recht omdat ik van dezelfde jaargang ben als Gerbrandy, al heb ik volgens sommigen betrekkelijk weinig recht van knikken omdat mijn gymnasium in Zeist er slechts een binnen een scholengemeenschap was, niet categoraal.

Opmerkelijk mag het heten dat Gerbrandy als oud-gymnasiast met een indrukwekkend vanzelfsprekend gezag deze typering van het gymnasiale onderwijs aan het papier weet toe te vertrouwen. Deze (gesettelde, witte, westerse, heteroseksuele, hoog-culturele) man heeft zijn diploma evident gebruikt als startlicentie voor een aansluitende, verdiepende, levenslange studie en professie om zoveel kennis en inzicht te vergaren dat hij de paradox die in deze debunking schuil lijkt te gaan, met verve en luister heeft opgeheven.

In een ander stuk weet hij, in een handomdraai, een van de grondslagen van het christelijk geloof om zeep te helpen, overigens zonder tegelijk de christelijke cultuur, de overgeleverde traditie met het badwater van zich te werpen. Iets dergelijks, een innemend lankmoedige houding, blijkt uit zijn essay over Herman Gorters studie De groote dichters. Nagelaten studiën over de wereldlitteratuur en haar maatschappelijke grondslagen (1935), een boek waar hij met intense aandacht over schrijft, waar hij het fundamenteel mee oneens is, maar waarover hij met geen syllabe neerbuigend of depreciërend op neerziet.

Niet alle essays zijn voor mij even interessant (mij ontbreekt in enkele gevallen het relevante referentiekader nu eenmaal, met dank aan mijn scholengemeenschap) maar het merendeel is dat wel, en dat op prikkelende wijze omdat Gerbrandy een essayist is van de soort die de lezer niet in de steek laat maar stevig mee voert langs de stadia van zijn betoog. Nooit eerder zag ik, bij wijze van voorbeeld, een overtuigende uiteenzetting met een als schier vanzelfsprekende tussentijdse conclusie als deze:

Het sonnet, kortom, is de blues van de Europese lyrische traditie.

In dat licht is het niet gek in één essay zowel Martinus Nijhoff als Robert Johnson geciteerd te zien worden; ik had nog nooit gehoord van Robert Johnson (1911 – 1938) maar hij ‘was [blijkens Wikipedia] an [invloedrijke] American blues musician and songwriter’.*

Referenties van dit type zijn extra krenten in de voedzame pap van Het woord en de wereld, net als, maar op een andere manier dan, de volgende bewering, die, in de context van het essay over de terloopse eenvoud van Martin Reints, niet uit de lucht komt vallen maar mij desalniettemin onverwacht door een grijze vrijdagochtend heen heeft geholpen:

Het heeft geen zin tegen iemand te zeggen dat hij niet moet vergeten te ijsberen. 

Tegen het eind van de bundel, kwam ik, aan het begin van de tweede alinea van een essay over H.C. ten Berge, een notitie tegen die me uit de brand hielp bij het piekeren over de vraag wat nu een goede weergave zou zijn van de onderliggende thematiek van de gehele bundel:

De vroegste filosofen waren dichters, en dichters zijn altijd denkers geweest. Poëzie onderzoekt ‘wat het is te zijn’, om een formulering van Aristoteles te lenen.

Daarmee is meteen die wereld uit de titel verklaard: de essays gaan niet over activistische poëzie of iets dergelijks, maar over taal en teksten waarmee dichters en denkers zich een inzicht banen in het zijnde en (zoals het volgens Wikipedia in een eerdere bundeling van Gerbrandy heet) literatuur en existentie. De fundamentele intertekstualiteit van al het denken en dichten is met dit citaat impliciet ook erkend. Al de lange lijnen die Gerbrandy trekt tussen oudheid en actualiteit (of moet ik zeggen: laat-postmoderniteit) doen de titel en ondertitel van deze bundel volledig recht. Of andersom.

De essays behandelen zeer uiteenlopende onderwerpen, onder heel veel andere: poëzie als symbiose, Lucebert en diens geheim, het belang van algemene vorming, de betoverende poëzie van Annemarie Estor, Luceberts ‘Romeinse elehymnen’, het oeuvre van Sasja Janssen, wat een versregel geslaagd maakt, Herman Gorter en de canon van de poëzie, de paradoxen van het sonnet, Gorters Mei, Obe Postma, Martin Reints, H.C. ten Berge en Hans Faverey. Ik had bijna geschreven: met zo’n classicus heb je geen neerlandici meer nodig.

Het laatste essay, over ‘De poëzie van Hans Faverey als ontologische allegorie’ deed me, hoe meer ik het einde naderde, de vrees om het hart slaan. Het stuk sluit af met een citaat, de laatste strofe van het slotgedicht van Faverey’s laatste dichtbundel, Het ontbrokene (1990):

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

De ondertitel van deze essaybundel van Gerbrandy luidt: Duidingen van een dichter. Dat kan beduiden dat hij deze essays heeft geschreven als dichter, meer dan als classicus of essayist. Dat mag duidelijk zijn voor de meeste van de essays die ik hierboven opsomde, maar de overige hebben toch echt meer weg van werkstukken van een classicus. Misschien stelt hij zich vooral in de traditie waar hij eerder op wees: ‘Dichters zijn altijd denkers geweest.’ En dichters onderzoeken ‘wat het is te zijn’. Dat doen ze, zeker als ze essayeren, het liefst via het werk van andere dichters en denkers en filosofen, en, zeker als ze Gerbrandy heten, ook via jazzmusici.

Een dichter als Gerbrandy weet natuurlijk donders goed dat dit van in de ondertitel ambigue is. Er kan sprake zijn van: duidingen die worden gedaan door een dichter, maar ook van: duidingen die betrekking hebben op een dichter, in casu: Piet Gerbrandy zelf. In al deze essays zegt Gerbrandy enerzijds iets over het betreffende onderwerp van de tekst (vaak in de titel of ondertitel ervan aangegeven), maar anderzijds zeggen al deze essays onontkoombaar iets over de dichter Piet Gerbrandy zelf.

Ik mag toch hopen dat het afsluitende Faverey-citaat geen referentie is aan een eigen dichterlijk en/of essayistisch stilzwijgen. Daar wil ik nog lang niet bij staan.


*Ik voel de dreiging van de gruwelijke doem der goden boven mij samentrekken als ik eraan denk dat Gerbrandy er ooit achter zou komen dat ik deze bron van node had voor nadere info en metterdaad gebruikte. Johnson stierf al op zijn 27-ste maar had postuum veel invloed. Het verderfelijke Spotify (kan er ook nog wel bij) heeft naast het origineel een lijst covers van alleen al ‘Ramblin’ On My Mind’, het  nummer waar Gerbrandy uit citeert. 

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen.

maandag 8 december 2025

Claire-Louise Bennett, Big Kiss, Bye-bye

French paperback with flaps, 168 pages, volgens de webstek van de uitgever, maar de romantekst eindigt in mijn exemplaar op pagina 158. Gezet uit de Fitzcarraldo. Fitzcarraldo Editions, London 2025.

De eerste vier (van de IX genummerde) hoofdstukken van Big Kiss, Bye-bye heb ik nu gelezen, en het is tijd voor enige reflectie want al lezende speelde steeds de gedachte door mijn hoofd: wat is het dat me zo aantrekt in het werk van deze auteur, werk dat weldegelijk enkele kenmerken heeft die me normaal gesproken in literair proza juist niet tot lezen en doorlezen aanzetten. Big Kiss, Bye-bye is Bennetts derde boek, na haar debuut Pond (2015), twintig onderling verbonden korte verhalen, en de roman Checkout 19 (2021); van elk is al een Nederlandse vertaling  verschenen, bij Koppernik. Haar werk werd ook elders en op andere wijzen goed ontvangen.

Dat het werk van Bennett me aantrekt is enigszins overdreven, want het suggereert dat ik alles heb gelezen, terwijl ik de facto nog niet de helft van haar oeuvretje gelezen heb. Ik merk nu pas, dat ik over Pond hier nog niet genoteerd heb wat ik ervan vond; in mijn analoge leeslogboek vind ik er wel iets over maar dat helpt me weinig verder, wat misschien niet vreemd is omdat ik na de oorspronkelijke versie van die roman ook nog de Nederlandse vertaling aanschafte en las. Vond ik het door het fragmentarische, reflectieve, weinig breed uitreikende, semi-stream-of-consciousness-achtige, tastende karakter toch te weinig interessant, lijkt het te zeer een late, zoveelste herhaling van het aloude en achterhaalde hoog-modernisme? Moeilijk voorstelbaar, want wat ik nu las van Big Kiss, Bye-bye, vind ik prachtig, hoewel ook dat (vergeef me de typering, sprak Opa de Boomer verontschuldigend maar welbewust) toch iets weg heeft van millennialgeneuzel dat niet al te weinig over de rand van het naveltruitjespluis de wereld in staart.

Niet uit te sluiten, in verband met mijn huidige blijde ontvangst, is de invloed van de stoffelijke uitvoering van het boek dat nu op mijn tafel ligt. De producten van Fitzcarraldo Editions zijn wat mij betreft zonneklaar boven alle kritiek verheven, zowel wat betreft de materiële uitvoering als wat betreft de intrigerende inhoud, zeker de vijf exemplaren (vier in blauwe band, een in een witte) die ik tot nu toe in huis heb gehaald; stom genoeg heb ik Pond alleen digitaal en van een andere uitgever, maar dat kan ik binnenkort een beetje goed maken door Checkout 19, op papier en in blauwe band gevat, in de wacht te slepen (ahem, dat zou kras zijn, want die titel is aldaar helaas niet verschenen).

Pond verscheen in de USA als een roman, maar in het VK als een verhalenbundel. Omdat ik mag kiezen, zie ik het als een roman, althans een episodische vertelling, zeg maar in de geest van Robert Ankers Volledig ontstemde piano, maar wel met veel minder differentiatie in het handelingsverloop. Het fragmentarische van het plot van deze derde roman van Bennet, die, als gezegd, negen hoofdstukken telt, is betrekkelijk diep verstopt in, of: wordt gecamoufleerd door de associatief geordende, meanderende, vol van herhalingen gestopte, langgerekte reflecties op alles en nog wat dat opduikt in de herinnering van de naamloze hoofdpersoon annex verteller die enigszins in staat van ontreddering verkeert door de beëindiging van een relatie met een geliefde. Misschien word ik positief beïnvloed door de parallelle lectuur van de Nederlandse vertaling van Kamel Douads Houris, die me ingeeft dat je een constructie-stijl als die van Big Kiss, Bye-bye misschien kan typeren als: arabesk. Het lijkt de constructie bij uitstek voor een schrijver die tracht in woorden te vangen waar een mens denkt niet echt bij te kunnen, terwijl die wel weet dat het er is, zoals ook in Mijn kleine oorlog (1947/1960) van Louis Paul Boon.

Normaal gesproken houd ik, denk ik, net iets meer van proza dat met grote maar overzichtelijke, gelijkmatige, goed gemarkeerde stappen wat sneller thuis raakt dan dat van Bennett, maar in haar geval ben ik geïntrigeerd door wat me voorkomt als een literair/stilistisch experiment en laat ik me heel tevreden meevoeren door een narratieve performance waarvan ik, misschien wel net als de vertelster/auteur tijdens de conceptie ervan,  richting en doel nog niet ken. En redelijk vaak krijg ik een grote glimlach op mijn lezersgelaat wanneer ik een bladzijde omsla en het uitzicht krijg op een boordenvolle boekopening, twee bladzijden naast elkaar met een goed bemeten zetspiegel zonder een enkel spoortje typografisch wit: geen witregel tussen paragrafen, geen inspringing voor een nieuwe alinea, geen kop- en geen staartwit, alleen maar letters en leestekens, louter tekst. Maar inderdaad, ja, wel marges en spaties; zo erg is het nou ook weer niet; nee, het ís geen harde-kern-experimenteel proza. Maar wel proza met de beste, de gretigste, de onmogelijkste en daverendste copulatiescène van deze eeuw.

In het voorlaatste hoofdstuk (ik sla echt heel veel over), als de vertelster terug is uit Schotland, een narratief detail waarvan ik nu niet meer weet uit welk verband het stamt, wordt ze genegeerd door een haar bekend persoon, de zoveelste oud-geliefde, en dan barst ze los in een heerlijke, ouderwetse monologue intérieur vol met ‘and’ aan elkaar gelijmde, steeds bozere bedenkingen, met aan het eind de heerlijke typering van die lamzak van een vent als zijnde een ‘lily-livered nitwitt’. Het eerste deel is al terug te vinden bij Shakespeare (zie: ‘7 Shakespearean Insults to Make Life More Interesting’ in de Merriam-Webster Dictionary) maar Bennett voegt er een ferme scheut eigen vitriool aan toe met het assonerende tweede deel. Dit staat aan het eind van de eerste paragraaf van het slothoofdstuk, een meer dan vier bladzijden lange, wit-loze paragraaf.

De witregel daarna geeft extra kracht aan de plotse paragraafwisseling: ze vertelt verder over Xavier, ‘whom she still loves but no longer desires’, zoals de achterplattekst zo scherp weet te melden. Xavier, overigens, die haar vaak witte lelies ten geschenke gaf, zoals ze een bladzijde later aangeeft.

En na weer een witregel volgt een razend intrigerende voordracht  – door de vertelster op een symposium in Montevideo – met een heldere analyse en duiding van de in Wenen (!) spelende film La Pianiste (2001) van Michael Haneke, gebaseerd op de roman Die Klavierspielerin (1983) van Elfriede Jelinek. Deze helder betogende voordracht, die formeel nogal afwijkt van de associatieve rest van het boek, lijkt als een psychoanalytische spiegeltekst de helpende hand te bieden aan de lezer van de onderhavige roman in zoverre erin wordt gerefereerd aan de complexe, verwarrende relaties tussen uiterlijk en innerlijk, tussen uiterlijke verschijning en werkelijk wezen van de mens.

Het slothoofdstuk bevat wederom schier eindeloze monologue-intérieurige, schijnbare neuzelarijen die echter weten te raken aan een Reviaans-sublieme ouwehoerderigheid en nog meer in het licht springen doordat eromheen uitermate aardse en concrete fragmenten staan zoals:

Whenever I’ve been fed up in the past, Xavier has told me not to fight it: ‘You need some downtime, angel.’ I find it comforting when he says that. He didn’t say anything like that this time. Possibly because I’d explained why I felt this way almost immediately after telling him how I was feeling. ‘My period is due on Monday,’ I said. He said he couldn’t hear me, so I said it again. ‘You were always very nice to me when I had my period,’ I said. ‘You didn’t seem to have much of a hard time with them,’ he said. Sometimes, after a really powerful orgasm, my period would come on a little early.

En deze, bijna op het eind:

And now here was this man with white hair and two beady-eyed dogs. There was not much light in that small submerged room. She could hear the fire behind her, she could feel it’s warmth through her jeans. ‘Do you always wear jeans?’ he asked her. ‘No,’ she said, ‘not always.’ Which is perhaps enough to get a man thinking about the occasions when you don’t wear jeans and what the nature of those occasions might be and what it might entail to bring them about.

Straks even de boekenmarkt op voor Checkout 19.