A Phenomenology. With Illustrations. Vintage Books, New York, 2014. Paperback (136 x 203 x 24 mm, 462 gram) met flappen, xix + 419 bladzijden. De auteur is ‘the associated art director of Alfred A. Knopf, the art director of Pantheon Books, and a recovering classical pianist.’
De titel van dit prachtig vormgegeven, zwaarwegende maar luchthartige boek klinkt voor mijn (mentale) gehoor als een klok. Hoor de prachtige verdeling van de zes monosyllabische woorden over twee regels, bemerk ook de verdeling van de woordsoorten met hun (klank)herhalingen van allerlei aard.
De titel lijkt me inhoudelijk nochtans niet helemaal in orde. De vormdwang bedriegt. Beter gezegd: wellicht gedwongen door de strakke schoonheid van de vorm van de titel bedriegt de schrijver zijn lezer. Het boek gaat niet exact over wat we zien wanneer we lezen (in mijn ad hoc-vertaling ervan gaat veel verloren) maar over wat hij, de schrijver, Peter Mendelsund denkt te ‘zien’ (die aanhalingstekens zijn onmisbaar) bij het lezen van (klassieke) literaire romans (deze reductie blijkt na lezing noodzakelijk in het belang van de waarheid); bovendien hoopt Mendelsund, zo leid ik af uit het tweemaal gebruikte we, dat de lezer, of waarschijnlijk: wij allemaal als de lezers, het actieve publiek van zijn boek, zijn hier geboekstaafde ervaringen op basis van (onze) eigen ervaringen willen en kunnen beamen.
De ondertitel, die niet op het omslag staat maar pas op pagina [xv], de titelpagina, verschijnt, geeft veel gewicht aan het boek: ‘A Phenomenology’. Mendelsund neemt zijn lezers (inderdaad, wat mij betreft althans) flink bij de lurven, multifocaal of polyperspectivisch observerend en secuur analyserend in de talrijke (om precies te zijn: negentien), hoofdstukken met korte sub-secties van zijn evenwichtig opgebouwde en uiterst rijk geïllustreerde verhandeling, die goed zou kunnen worden gekarakteriseerd als een graphic fenomenologisch essay.
Ik laat me, ondanks de kwaliteiten van het boek, ook niet meeslepen door het derde element van de titelpagina, de annotatie ‘With Illustrations’. Het boek bevat zeker ook illustraties, maar het geheel is van kop tot kont door-geïllustreerd met een bijzonder hoog gekwalificeerde inzet van uiteenlopende grafische en typografische middelen. Het is een bomvol boek, zonder dat die rijkdom stoort doordat alle inkt (en waar mogelijk ook het ontbreken ervan) ingezet is als integraal onderdeel van het essay.
Ik merk evenwel op dat ik tussen neus en lippen door ook de ondertitel van het boek niet helemaal ongeschonden door de vertaalmachine krijg. Eigenlijk weet ik niet wat ‘A Phenomenology’ of ‘Een fenomenologie’ is. Ik ken de ‘fenomenologie’ niet als ding of tekstsoort (waar de ondertitel op lijkt te doelen) maar wel als een filosofische stroming, methode en/of benaderingswijze.
Daar komt dan bij dat Mendelsund mijns inziens niet goed beschrijft wat precies het fenomeen is waarop zijn studie of verkenning of analyse is gericht. Is het (zich) maken van voorstellingen tijdens het lezen van literaire fictie een fenomeen te noemen? Ik twijfel, ook al is het al bijna een halve eeuw geleden dat ik mijn bijvak moderne filosofie afsloot (met een voldoende, voeg ik eraan toe, om CV-achtige misverstanden te voorkomen).
Gelukkig wist mijn computer me naar deze betekenisbeschrijving van ‘fenomenologie’ te leiden in de digitale ENSIE:
Letterlijk de beschrijving of studie van de verschijnselen. Elke beschrijving, vooral als zij uitgebreid en diepgaand is, van hoe de dingen zich voordoen kan ‘een fenomenologie’ worden genoemd.
Dat laatste lijkt me hier wel het geval te zijn. En bij gevolg moet ik maar aannemen dat ‘wat we zien wanneer we lezen’ een fenomeen genoemd kan worden, ook al wordt hier met ‘zien’ niet het resultaat van gewoon kijken bedoeld, maar een imaginair of mentaal beeld, of een reeks van imaginaire of mentale beelden, opgeroepen door taaltekens in teksten van de hiervoor grofweg afgebakende soort.
Opmerkelijk is dat Mendelsund op een gegeven moment (pagina 265) het bestaan van een innerlijk oog postuleert, of beter: een ‘innerlijk oog’ (letterlijk: ‘an ‘‘inward eye.’’’), maar alleen in een tastende vergelijking: ‘Imagination, you could say, is like an ‘‘inward eye.’’’ Vervolgens heeft hij het meerdere malen over ‘our reading imagination’ (wat ik maar vertaal als: onze leesverbeelding) alsof dat een bestaand menselijk vermogen zou zijn, iets uit een medisch handboek haast.
Vervolgens, na de nodige verkenningen, schrijft hij daarover: ‘Maybe the reading imagination is a fundamentally mystical experience – irreducible by logic.’ (p. 350) Pal daarop volgt een dubbele pagina met een vergelijkend overzicht van de droom, het werkelijke zien, de hallucinatie en de leesverbeelding, elk voorzien van bipolaire tienpunts-schuifmaten voor hun respectieve waarden van Agency, Vividness, Transparency, Self-Awareness, en Effect on Mind-Independent Objects. Mendelsunds illustratie in het boek is vele malen duidelijker dan mijn onhandige beschrijving hier.
Een dergelijk pontificaal gepresenteerde speculatieve quasi-wetenschappelijkheid doet me denken dat dit essay misschien meer een graphic novel is dan wat anders dan ook. Maar wel een heel bijzondere en bijzonder mooie graphic novel. En een intrigerende ook nog.
Dat intrigerende zit, denk ik, in het essayistische: wil je het betoog volgen kunnen, moet je aan een stuk door meedenken met de schrijver. Al de denkstappen die hij maakt, maak je als lezer met hem, doe je hem na, en dus loop je het gevaar om met hem sommige dingen over het hoofd te zien, dan wel om die welwillend te suspenderen zo lang als het betoog duurt.
Tegen het einde van het essay noteert Mendelsund: ‘The world, as we read it, is made of fragments.’ Daarmee draait hij me een loer, dacht ik toen ik een bladzijde of twee verder dit las: ‘When we apprehend the world (the parts of it that are legible to us), we do so one piece at the time.’ Opeens is hij bezig allerlei ver- of vooronderstellingen uit te serveren over ’s mensen gewone waarneming van de werkelijkheid. Waarom zou ik deze boekenbakker moeten geloven op dit terrein? Moeten we daarvoor niet eerst te rade gaan bij een groepje oftalmo- en neurologen? Niet omdat ik denk dat het onzin is wat Mendelsund beweert, maar domweg omdat ik er geen objectieve grond onder kan ontwaren. En onderwijl zit hij wel te doen alsof wat hij beweert over het lezen van literaire fictie probleemloos te vergelijken is met wat er gebeurt tijdens ons gewone kijken in de werkelijkheid.
Heeft-i me toch mooi te pakken met z’n fenomenologie van de literaire leesverbeelding. Want al trekt hij aan het eind van het essay het bestaan van het lees-zien als een werkelijk zien in twijfel, daarvóór heeft hij wel allerlei interessante suggesties gedaan over hoe dat specifieke aspect van het lezen zou kunnen zijn of zou kunnen functioneren.
Heerlijk, dit boek vraagt om herlezing en -bezichtiging.
Twee weken later
Bij de tweede lezing zie ik dat op pagina 7 de titel van het boek enigszins wordt aangevuld en verduidelijkt, aangescherpt door een parafrase:
What do we see when we read?
(Other than words on a page)
What do we picture in our minds?
Hieruit blijkt dat het niet om het lezen gaat, het verwerken van woorden, maar om wat we met die woorden doen in ons hoofd, welke beelden of voorstellingen we er ons bij voor de geest roepen.
Maar als we daarover nadenken, is dat volgens Mendelsund altijd een achteraf-nadenken over het lezen, een soort herinneren, want doordat we tijdens het lezen ondergedompeld zijn in het gelezene, kunnen we er niet tegelijkertijd op reflecteren.
Mendelsund spreekt daarna van het mentaal schetsen en van het visualiseren (van een personage bijvoorbeeld); dat gebeurt op basis van fundamenteel onvolledig materiaal, namelijk de beschrijvingen in een roman die nooit echt alles bevatten, niet werkelijk iedere onderdeel en detail en expliciet weergeven (een roman die dat wel zou doen zou zeer langdradig zijn).
En dan: ‘It is precisely what the text does not elucidate that becomes an invitation to our imaginations.’ Mendelsund stelt voor dat vooral de (functionele) bewegingen van een personage (tussen andere personages en in de fictionele wereld) de betekenis van een personage uitmaken.
Op pagina 125 schrijft hij iets wat me te simpel, te oppervlakkig lijkt, iets waardoor ik me realiseer dat eigenlijk al zijn observaties stuk voor stuk wel interessant (kunnen) zijn, maar geen van alle een generaliseerbare potentie hebben waardoor ze iets (diepergravends) zouden kunnen zeggen over het fenomeen ‘lezen’ in zijn met de titel van het boek aangekondigde algemeenheid. Hij blijft steken in observaties van de losse details van zijn persoonlijke leeservaring van willekeurig welke tekst of welk fragment. Als hij des niet tegenstaande toch eens generaliseert, zoals in het bedoelde fragment, dat ik hierna citeer, denk ik: het zal wel, gooi maar in mijn hoed, maar geef me liever eerst de bewijsstukken.
Writers of fiction tell us stories, and they also tell us how to read these stories. From a novel I assemble a series of rules – not only a methodology for reading (a suggested hermeneutics) but a manner of cognition, all of which carries me through the text (and sometimes lingers after a book ends). The author teaches me how to imnagine, as well as when to imagine, and how much.
Alleen de eerste deelzin lijkt me (betrekkelijk) algemeen geldig, de rest is pure speculatie. In de tweede zin gaat het over Mendelsunds privé-leeservaringen, en die observaties moeten we wel voor waar aannemen, maar de reikwijdte en het belang ervan zijn navenant. Dito geldt voor de derde zin. Ik heet dat jammer.
Vervolgens raak ik weer verzeild in de sectie waar hij verder uitweidt over de reading imagination, die niet meer slechts een veronderstelling is maar Mendelsund als een gegeven, als een bestaand, intersubjectief fenomeen behandelt. Misschien is die leesverbeelding het centrale fenomeen van heel het boek. Daarover poneert hij, zonder enige bewijsvoering: ‘The reading imagination is loosely associative – but it is not random.’ In zijn eigen hoofd, denk ik daar dan bij, inmiddels enigszins meewarig geworden. Heel gemakkelijk, te gemakkelijk stapt hij steeds van de eerste persoon enkelvoud over naar de dito meervoud, generaliserend zonder grond.
Om de moed erin te houden stel ik voor dat de ondertitel van dit boek moeten luiden: A first draft of a grafic phenomenological black box theory of reading imagination. Te lang, maar wel beter.











