vrijdag 24 juli 2026

Robert L. Heilbroner, De filosofen van het dagelijks brood

De levens, tijden en ideeën van de grote economische denkers.
Vert. door J.E. Kuiper. [2e dr.], Paris-Manteau, Amsterdam-Brussel, 1955. (1e dr. eveneens 1955). Paperback, 383 blz. incl. verantwoording.
(Oorspronkelijk: The Worldly Philosophers, Simon and Schuster, New York, 1953). 
Ongelezen exemplaar, naar het zich liet aanzien, aangetroffen in een straatbiebkastje in de buurt; door mijn leesplezier begint er nu allerlei lichte leesschade aan te ontstaan (zie foto).

De ondertitel (van de vertaling) is goed en volledig. De keuze voor de omzetting van de hoofdtitel in de vertaling, wordt goed verantwoord in de (vertaalde) inleiding, die trouwens een meesterlijke opening heeft:

Dit is een boek over een handje vol mensen, die er om een zeer merkwaardige reden recht op hebben, beroemd te zijn.

Het vervolg van de eerste alinea maakt die eerste zin alleen nog maar beter. [gecureerde spoiler]

Het superieure perspectief op de materie, zonder ook maar een moment betweterig, neerbuigend, cynisch-relativerend of iets dergelijks te worden, tekent heel dit boek. Met olijke maar toch straffe hand wordt de lezer door twee eeuwen westerse economie geleid. Echt heel interessant, leerzaam, informatief en ook vermakelijk. Laat ik erbij zeggen: voor mij, iemand die bar weinig weet van economie, laat staan van historische economie en economische geschiedenis. Te weinig, weet ik nu. Het is een boek waarvan ik op een gegeven moment tijdens het lezen dacht: dit zou verplicht moeten zijn op de leeslijst van het eerste jaar van alle studierichtingen in de geesteswetenschap.

Was dit een boek geweest op mijn eigen vakgebied, dan had ik het (hoop ik) al heel lang gekend, maar dan had ik de toon waarschijnlijk niet kunnen verdragen. Daar komt bij dat de verantwoording net één pagina beslaat en Heilbroner in heel zijn boek geen enkele uitspraak, hoe normatief ook, verantwoordt met enige referentie aan een bron van belang. Maar als economische nitwit maal ik er niet om. De inleiding is verbluffend boeiend, en de goed opgebouwde hoofdstukken erna niet minder. Heilbroner is niet zuinig met context, achtergronden, persoonlijke details en anekdotes van en over zijn hoofdfiguren.

Een andere ondertitel was trouwens ook mogelijk geweest. Bijvoorbeeld: historische, kritische reflecties van filosofische economen of economische filosofen op het persistent dominante kapitalisme van het noordwesten van de aardbol vanaf Adam Smith tot en met 1952. Toevallig, of noodzakelijk, gaat het middelste (zesde) hoofstuk over ‘De onverbiddelijke wereld van Karl Marx’; een titel die in het licht gezien moet worden van die van het eraan voorafgaande hoofdstuk: ‘De prachtige wereld der Utopische socialisten’, die op haar beurt niet goed werkt zonder die van het eraan voorafgaande: ‘De sombere wereld van Ds Mathus en David Ricardo’, die weer mooi volgt op hoofdstuk III over ‘De perfecte wereld van Adam Smith’.

Dat noem ik orde. En zo is er nog meer goeds in dit boek, dat oorspronkelijk het doctoraal werkstuk van Heilbroner was en (echt, ik wist van niets) we...reld...be...roemd is.

Behalve leerzaam is het boek ook zeer vermakelijk, want aan elk van de besproken economen is wel een persoonlijk(heids) steekje los dat Heilbroner onder stoel noch bank van zijn betoog steekt. Ook verheelt hij niet waar elk van hen de plank mis heeft geslagen met zijn optimistische of pessimistische vooruitzichten (er waren gedurende de besproken twee eeuwen kennelijk geen vrouwelijke economen van belang).

Door die gesignaleerde miskleunen verbaast me het slot van het boek waarin Heilbroner komt te spreken over ‘De moderne wereld’, meer in het bijzonder de kapitalistische USA anno1950. Gezien tegen de achtergrond van wat er elders in de wereld op economisch terrein te vinden is, zijn volgens hem ‘de prestaties van het Amerikaanse kapitalisme niet alleen bevredigend, maar schitterend te noemen.’ Hoewel een kwart van de bevolking in (diepe) armoe leeft ‘zijn wij dichter dan ooit enig ander volk in de geschiedenis geweest is, bij het door Keynes geschouwde lichtende doel: een samenleving zonder armen. We zijn er zelfs bijna!’ Het kan niet op, want als de toenmalige economische ontwikkeling nog twintig jaar zou aanhouden, acht hij het ‘denkbaar dat wij nog binnen een mensenleeftijd de eerste menselijke samenleving te zien zullen krijgen, waarin er genoeg is voor iedereen.’ In 1970, hij hamert erop, zou dat dus het geval zijn.

Achteraf bezien is het vreemd, wereldvreemd zelfs, dat Heilbroner, op de hoogte van een reeks van misvattingen en al te hoopvolle en onrealistische inschattingen van zijn zeer respectabele voorgangers, dit wonder zonder al te veel twijfel denkt te kunnen meebeleven. Hij overleed in 2005 en ik neem aan dat hij zich in de tussenliggende 35 jaar meermaals de haren uit zijn hoofd heeft getrokken als hij terugdacht aan het slot van zijn beroemde boek. Want wanneer ontwikkelt de wereld zich, zeker in economisch opzicht, ooit in de richting die en met het tempo dat en een intensiteit die wij toevallig meebeleven?

Van de economie anno 2026 begrijp ik helemaal niets. En wat ik er toch van denk te begrijpen, vind ik ranzig, vies tot en met misdadig, niet in de laatste plaats als het over de USA gaat. Daarom is het zo goed dat Heilbroner zijn overzicht bij het begin begint, diep in de achttiende eeuw. Toen was de wereld en haar economie nog enigszins te doorgronden, zelfs door een leek; zo doet hij het in ieder geval voorkomen. Dat werkt goed, want daarmee kon ik zijn betoog goed volgen, ook als de historische wereld gaandeweg steeds ingewikkelder wordt.

Inmiddels ben ik me gaan afvragen of Heilbroner onze huidige economie nog zou durven karakteriseren als kapitalistisch. Draait die nog wel om de vraag hoe men het dagelijks brood aan de aarde ontworstelt en hoe men zijn of haar buur ter zijde stoot om er zelf een portie van te krijgen? Draait die om onze dagelijkse noden en behoeften? Heilbroner was zo goedgelovig dat hij aannam dat het vroeger daarom draaide en had nog geen weet van de perfide handelsgeest die tegenwoordig door Europa waart. Die kon hij wellicht ook niet voorzien. Maar waarom waagt hij zich dan wel aan andere uitspraken over de aanloop naar onze tijd?

Geen opmerkingen: