maandag 12 januari 2026

Mirjam van Hengel, Dola

Over haar schrijverschap en de hele mikmak. Paperback met flappen, 304 bladzijden inclusief fotokatern, dankwoord, opmerkingen en (selectieve) bronnenlijsten. De Bezige Bij, Amsterdam 2022.

Eerder gaf ik al aan dat ik me wel kon voorstellen dat ik dit boek zou gaan lezen; het sluit aan bij mijn interesse voor veronachtzaamde vrouwelijke Nederlandstalige literaire auteurs in de twintigste eeuw, lui zoals Andreas Burnier en Aya Zikken. En ja hoor, Dola de Jong (1911-2003) lijkt tot die groep te behoren, afgaande op de biografie die Mirjam van Hengel aan haar wijdt. Werk van De Jong las ik nog niet, maar haar leven en karakter zoals geschetst door Van Hengel zijn al interessant genoeg. Komt nog bij dat De Jong uit Arnhem komt. Kat in ’t bakkie. De digitale versie van de heruitgave (Cossee 2022) van Dans om het hart (Querido 1938, volgens de heruitgave, maar 1939 volgens de catalogus der KB, Wikipedia en de bronnenlijst van deze biografie) staat al te wachten op de leesplank van m’n e-lezer.

Vooral van De Jongs leven voor de Tweede Wereldoorlog zijn maar weinig documenten overgeleverd; Van Hengel maakt dan ook meer dan in haar boek over Campert gebruik van haar eigen verbeeldingskracht om, op een grondlaag van algemene informatie, dat deel van het leven van Dola de Jong een levendige kleur te geven. Dat kan je afkeuren in een biografie, je zou er ook dankbaar voor kunnen zijn: een biografie is per definitie, onontkoombaar een persoonlijk gekleurd beeld van het leven van een ander, een soort re-enactment in een ander medium, en niet een neutrale, ongekleurde, zakelijke, louter ‘feitelijke’ weergave. Ook het ambacht van het schrijven van de biografie krijgt naar aanleiding hiervan aandacht, alsmede de persoonlijke verhouding van de biograaf in kwestie tot het biografisch onderwerp. Van Hengel durft hier aangenaam ver in te gaan, expliciet.

Het leven van Dola de Jong, die verhalen en romans voor zowel kinderen en jongeren als volwassenen schreef, in het Nederlands en het Engels, en daarnaast danseres was en tal van andere, onder meer journalistieke betrekkingen had, enkele keren trouwde, voor de Tweede Wereldoorlog meest in Nederland woonde, met name in Arnhem en Amsterdam, erna meest in de Verenigde Staten van Amerika, waarheen ze al voor het begin van de oorlog gevlucht was en als ongeveer de enige van haar familie de Holocaust overleefde, dat leven mag zonder overdrijven ‘bewogen’ worden genoemd. Toch waren drankzucht, zin voor en zin in avontuur alsmede verantwoordelijkheidsgevoel bij haar omgekeerd evenredig aan die van de eerder genoemde, achttien jaar jongere Remco Campert, terwijl haar literaire productiedrift niet voor die van hem onderdeed.

Wat, naast het leven van Dola de Jong, maakt deze biografie zo aantrekkelijk en goed? De stijl. Klein voorbeeldje daarvan:

Je zou willen dat ze daar in New York meer in een kring van gelijkgestemde vrouwen terecht was gekomen. Zoals in Greenwich Village in die jaren Hannah Arendt en Mary McCarthy elkaar opzochten en vrienden voor het leven werden. Hun emotionele afstandelijkheid was verwant aan de hare maar hun zelfvertrouwen en intellectuele moed had ze niet, ze lijkt een beweeglijk eendje naast deze strenge, reigerachtige vrouwen.

Van Hengels persoonlijke visie op en inleving in de situatie blijkt uit de intro (‘Je zou willen [...]’); de referentie aan Arendt en McCarthy getuigt van contextuele verkenning en informatiegaring; een en ander komt op een mooie wijze samen in de vergelijking aan het slot. Daarbij komt dat het hele beeld aansluit bij een waarneming of visie van Jan Greshoff, met wie De Jong in New York had samengewerkt, en die over haar in zijn dagboek noteerde:

Zij voelt sterk het gemis aan Nederlandse schrijvers. Zij is tenslotte vervreemd van Holland en nog niet geheel veramerikaniseerd.

Ik zou nog wel meer over het stevige leven van Dola de Jong weer willen geven, maar veel beter is het dat wie nu bemoedigend ‘ja’ zit te knikken, deze meeslepende biografie zelf aanschaft of leent en gaat lezen. Ze is die aandacht waard.

P.S.
Ik noteer dit terwijl ik tot pagina 142 ben gevorderd met lezen en Dola’s levensverhaal pas eindigt op pagina 280, of eigenlijk 260 (hoe dat precies zit, wil ik niet verklappen). Ik heb niet de indruk dat ik mijn waardering voor deze biografie verder hoef te onderbouwen. De vorige twee boeken van Van Hengel die ik las... daar kon schrijvend Nederland ook al met een gerust hart een voorbeeld aan nemen.

Coda
Het levensverhaal van Dola de Jong is werkelijk aangrijpend, kan ik na lectuur van alle 280 pagina’s zeggen. Van Hengel weet – om haar eigen woorden, maar dan over een ander onderwerp, te lenen – hoe ze haar vingers achter de kreukels van het complexe bestaan krijgt. Niet eerder wist iemand me het wrede en ingrijpende mechaniek van het complexe trauma van de Holocaust-overlevende zo overtuigend duidelijk te maken. Tegelijkertijd is dit ook ernstige boek nergens te zwaar. Komt misschien door Van Hengels compositorische vakmensschap dat zich mede uit in een wending als ‘– maar daarover straks.’

Slot
Ga ik toch weer verder met nabauwen, reflecteren en citeren? Neem het nu maar van me aan: dit is goed, ga dit boek zelf lezen. Nu. Het is informatief, kritisch, op een vanzelfsprekende wijze oer-feministisch (zoals Dola de Jong een fris en autonoom soort praktisch-feministe bedreef), spannend, literair, enorm goed geschreven en het zet je waarschijnlijk op het spoor van uren voortzetting van het leesplezier na dit boek, namelijk in het oeuvre van Dola de Jong.


zaterdag 10 januari 2026

Anne de Marcken, Its Lasts Forever and Then It’s Over

3rd Edition. Fitzcarraldo Editions, London 2025. Oorspr. 2024. Paperback met flappen, 131 blz. inclusief Notes on Epitaphs en Acknowledgements. Op haar webstek signaleert de auteur drie parallel verschenen Engelstalige uitgaven uit 2024, in de USA, in het VK en in Oostenrijk, daarnaast vertalingen in het Spaans, Duits, Turks en Nederlands, die laatste in 2025 bij Koppernik. 

Soms koop ik een boek omdat de uitgever niet alleen inhoudelijk maar ook materieel mooie boeken maakt, en omdat de titel heel erg goed is. En omdat het met prijzen is gelauwerd, waaronder de 2024 Ursula K. Le Guin Prize for Fiction; omdat de prijsjury zegt dat het ‘a work of quietly detonative imagination’ is.

Dat de hoofdfiguur van het dystopische verhaal tot de ondoden behoort, dat haar linker arm van haar lichaam is gevallen, en dat ze een kraai in haar borstkas draagt, neem ik dan voorlopig welwillend op de koop toe; dat het boek uit VII delen bestaat, die elk heel erg veel door één tot drie witregels gescheiden paragrafen bevatten, ook. Dat er al snel weinig werkelijk verhaal te onderscheiden lijkt te zijn, maakt het wel wat lastiger, dat suspenderen.

Maar omdat in het boek dat ik ervoor las, aan het eind een essay stond waarin een paradoxaal soort thematiek werd behandeld, zet ik na de eerste achtendertig bladzijden door, om ook deze multidisciplinaire kunstenares en schrijfster een plaats in m’n bibliotheek te gunnen.

Het probleem is dat een traditionele, tot gewoonte geworden automatische proza-leeshouding niet afdoende is voor een prozakunstwerk als dit. Een novelle of roman of verhalenbundel is het niet, ook al is er steeds iemand aan het woord en soms ook in gesprek met anderen, maar af en toe ook met ‘you’, hoewel die niets terugzegt, die ‘you’ is meer de aangesproken persoon, de afwezige, de verloren geliefde waarschijnlijk, want ‘het’ gaat over honger, rouw en verlies, en kou, niet-(meer-)leven zowel als on-dood.

Inmiddels, na een kerstelijke en oudejaarsige leespauze waarin ik als tussendoortje een ander, en best dik, boek bijna helemaal uit las, ben ik in dit wonderlijke boek van De Marcken gevorderd tot deel IV. De vertelling gaat verder zoals ze hiervoor al ging. De fraaie vorm van het boek verandert ook niet. Maar er is me wel iets nieuws opgevallen.

De delen van het boek hebben alle een eigen titelpagina met daarop het deelnummer en een motto; enkele van die titelpagina’s worden voorafgegaan door een tekening. Of er systeem in zit, weet ik niet. Opmerkelijk is nu dat op dit punt een typografische etiquetteregel wordt geschonden: de tekst van elk deel begint niet op een rechter- maar op een linkerpagina, anders gezegd: de tekst van elk deel begint met een hele opening (zo heet dat, dacht ik)

Via de eigenzinnigheid van de opmaak en een obsessieve kronkel in mijn brein kwam ik op de vergelijking van dit boek met Memoires van een luipaard (2001) van Peter Verhelst, een pareltje in de kroon van het literaire post-modernisme waar ik jarenlang namens mijn collega’s studenten mee heb lastiggevallen in de cursus Moderne Tijd, over de moderne Nederlandstalige letterkunde. Zij, de studenten, bedoel ik, snapten niet veel minder van die novelle of roman dan ik, maar velen raakten er toch eveneens door gefascineerd (en ik hoopte dan dat ze tijdens het tentamen in ieder geval het structurele en literair-historische verschil met een boek als Max Havelaar (1860) duidelijk konden maken).

En zo verschuift dan uiteindelijk toch mijn leeshouding nog naar een ronduit ondergaan van wat er staat, een beetje in de geest van Nijhoffs woorden in een brief aan Achterberg over diens eigen Ballade van de gasfitter: ‘het zal nu wel vanzelf hoe langer hoe helderder worden’.

Of niet, natuurlijk. Ik bedoel: je moet dat ergocentrisch gestuurde volledige duiden en doorgronden bij tijd en wijle achter je durven laten en meedeinen op de golven van de tekst. Zien wat ervan komt.

Een voortzetting van een tocht westwaarts die de hoofdfiguur onderneemt met in zich een leegte van rouw en gemis – zelfs de geïmplanteerde kraai is verdwenen. Kannibalisme is klaarblijkelijk een optie in het domein van de ondoden; het wordt zo zakelijk, afstandelijk en gortdroog verteld, dat het nauwelijks opvalt.


Over de woordafbreking in Engelstalig drukwerk verbaas ik me vaker wel dan niet (‘imagin-/ary’, ‘noth-/ing’); gelukkig weet Fitzcarraldo Editions de inzet van het afbreekstreepje echter tot een absoluut onopmerkelijk minimum te beperken. Maar opeens staat er op pagina 97 een schitterend enjambement: ‘and pause mid- / chew’. En dat gezegd over twee paarden die net paarden. Pas drie regels verder, in de laatste zin van de alinea en van de pagina, beginnend met een schijnbaar tegendraads ‘Finally’, wordt die pauze in het kauwen weer opgeheven, net voor de pagina vol is. Zo goed geschetst is dat, met een zo goede ritmiek (prosodie?) op papier gezet, en zo herkenbaar, dat je er niet eens zelf ooit ‘Huh’ voor tegen twee paarden gezegd hoeft te hebben om het onmiddellijk te begrijpen.

Dat de vertelster iets later onthoofd wordt, en daarbij al dan niet realistische gewaarwordingen heeft omtrent zijn en niet zijn, annex het zijn op twee plaatsen tegelijk, sluit aan bij eerdere dualiteiten in deze fantasierijke roman, maar is wat moeilijk te verkroppen voor iemand die ernaast nog steeds aan het lezen is in een roman die gebaseerd is op de keiharde maar wereldwijd lang genegeerde, afzichtelijke werkelijkheid van de gruwelijke burgeroorlog in Algerije aan het eind van de vorige eeuw (1991-2002), Kamel Daouds indrukwekkende roman Houris (2025). 

De werkelijkheid is absurder dan fictie, want de vertelster in Daouds roman werd op zeer jonge leeftijd daadwerkelijk onthoofd, maar die executie mislukte, waardoor zij nu een litteken in haar hals heeft dat op een grimlach lijkt, van oor tot oor, via een kunstmatige opening moet ademen en niet meer spreken kan doordat haar stembanden zijn doorgesneden; in gedachten doet ze haar geschiedenis uit de doeken voor ons, lezers, maar in eerste instantie voor haar nog ongeboren kind, waarvan zij niet weet of zij, alleenstaande vrouw, het wel geboren kan en wil laten worden in een land waar heel de gewelddadige poging tot machtsovername door moslimfundamentalisten totaal verzwegen moet worden.

Onthoofd, wordt de vertelster van It Lasts Forever and Then It’s Over ook nog een aan een kruis gehangen, ondersteboven, met elf anderen (geen idee wie) in een cirkel, als een soort zonnewijzer en de vertelster doet dan quasifilosofisch iets met tijd en ruimte. Een oude vrouw haalt haar van het kruis af en samen zetten ze de tocht naar de oceaan (want dat blijkt het nu te zijn geweest) voort, hand in (ene) hand, de oude vrouw draagt het hoofd van de vertelster, die ongestoord doorvertelt alsof er helemaal niets aan de hand is.

Of het inderdaad om een verstelster gaat of toch om een verteller, of dat het genus van de woordvoerder er niet toe doet, wordt niet duidelijk uit het vertelde (nog een kleine overeenkomst met de eerder genoemde roman van Verhelst). Ik ben onnadenkend in de fuik getrapt van identificatie van de vertellende instantie met de auteur.

Ik moet zeggen dat ik op dit vergevorderde punt  van mijn lectuur de dystopie onder mijn ogen zie verworden tot een partij slap gefantaseer, om het netjes uit te drukken. Kennelijk ben ik niet in de wieg gelegd voor dit genre. Maar het helpt een beetje als ik bedenk dat een en ander, dat het geheel zelfs metaforisch kan worden opgevat, als beeld van de verscheurdheid (ja ja) van een mens door verlies, verdriet, rouw.

Het boekje duurde me wat te lang, maar nu heb ik het uit, tikte ik tot slot opgelucht alluderend op de titel.




maandag 5 januari 2026

Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik

Portret van Remco Campert. De Bezige Bij, Amsterdam 2018. Bekroond met de Henriëtte de Beaufortprijs 2022. Bibliotheekexemplaar van de digitale uitgave.

Dit boek staat te boek als een biografie. En dat is het zeker, en zelfs een wonderbaarlijk goede biografie. Het is tegelijk toch ook een lichtelijk excentrisch exemplaar binnen de categorie van de literaire biografieën alsmede binnen de schrijversbiografieën. Dat ongewone zit erin dat Van Hengel uitgebreid heeft gesproken met Campert (en zijn toenmalige en laatste echtgenote, Deborah), ik weet niet gedurende hoeveel weken iedere vrijdag een paar uur. En ze mocht gratis en ongestoord in zijn werkkamer grasduinen.

Voor een gemiddelde biograaf lijkt me zo’n werkwijze uitzonderlijk; biografen gaan normaal gesproken immers over lijken. De weg die Van Hengel hier bewandelt,  oogt ronduit gevaarlijk. Hoe link is niet het om het leven te beschrijven van iemand die nog leeft terwijl je je onderzoek doet en terwijl je schrijft. En dat dan ook nog eens in het bijzijn van en in samenwerking met de aanstaande weduwe (Campert overleed in 2022, de biografie verscheen in 2018). Hoe groot is dan de kans dat een en ander leidt tot een misvormde hagio- in plaats van een zuivere biografie die die catalogusnaam met ere kan dragen.

Ik twijfel er evenwel geen seconde aan dat Van Hengel al de mogelijke gevaren van deze onderneming  heeft weten te omzeilen. Dat komt niet alleen doordat haar portret van deze excentrische Vijftiger bijzonder overtuigend en genuanceerd is, maar ook doordat ze zeer veel van Camperts tijd- en bentgenoten (en trouwens ook bedgenoten) heeft gesproken en hun brieven heeft gelezen, doordat ze bijzonder goed op de hoogte is van de literaire en sociale en culturele (muzikale, cinematografische etc.) contexten waarin Campert zich gedurende zijn, eigenlijk niet zo bewogen maar wel uiterst slordige, leven heeft begeven (om er zich vervolgens ook weer aan te onttrekken). Het komt verder doordat ze heel het literaire oeuvre van Campert lijkt te kennen en te hebben doorgrond, zodat ze er te pas uit kan citeren zonder in de valkuil van de biografische inlegkunde te tuimelen. Het komt ook doordat ze een chronologische structuur weet te vermengen met een thematische, daar waar het nodig is heel handig schakelend en heen en weer schietend langs de dwingende tijdlijn.

Literair-analytisch is Van Hengel ook sterk. Ze belicht het werk van Campert heel secuur en grondig, ze wijst de thematische lijnen erin overtuigend aan, ze bespreekt en belicht Camperts positie tussen de Vijftigers waar nodig (wat wil zeggen dat ze er niet nodeloos over door blijft gaan omdat Campert meer is dan alleen maar dat). Wat daarnaast aantrekkelijk is aan deze biografie, afgezien nog van de soepele, gesoigneerde, toegankelijke stijl van Van Hengel, is dat deze biograaf bijna schaamteloos enthousiast is over het literaire werk van de bebiografeerde en anderzijds er niet voor terugschrikt minder eclatant werk als zodanig te bestempelen en, niet onbelangrijk, ook ruim aandacht heeft voor de schaduwzijden van het bijzondere karakter van deze dichter, kansrijk kandidaat voor de prijs voor het auteurschap met het hoogste alcoholpromillage.

Dat Van Hengel naar aanleiding van dit boek de Henriëtte de Beaufortprijs 2022 in ontvangst mocht nemen, lijkt me dan ook een eenvoudige daad van rechtvaardigheid. Deze literaire biografie is zeer informatief en degelijk en analytisch en veelkantig, zozeer zelfs dat ik me erdoor van de plicht voel ontslagen me verder te verdiepen in het oeuvre van deze auteur. Nog voor de uitleentermijn van dit digitale biebboek verstreken was en het boek geruisloos uit mijn e-lezer zou verdwijnen, nog voor ik aan hoofdstuk 10 kon beginnen, besloot ik het erbij te laten. Camperts werk volgt getrouw zijn leven en na 64% van deze heerlijke biografie gelezen te hebben, had ik mijn buik vol van de oneindig eigengereide dronken lamzak die deze dichter als mens bij leven (en gebrek aan welzijn) toch ook geweest moet zijn.

Dit bericht kreeg, onder een andere kop, een tweede leven, en enkele reacties, op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen.