zondag 29 maart 2026

Not Against Natter

Bert Natter werd niet blij van het leesverslag van zijn roman Aan het einde van de oorlog dat ik (door nood gedwongen in twee delen) onlangs op dit weblog publiceerde. Hij reageerde met een, ik mag, denk ik, wel zeggen: stekelig stuk op  zijn weblog terwijl ik – dit even voor het dramatisch effect – weerloos op de operatietafel van de orthopedisch chirurg lag. Het digitale vakblad voor taal- en letterkundige neerlandici Neerlanistiek.nl nam eerst mijn beschouwing en vervolgens ook Natters reactie over, en veel mensen probeerden vervolgens steentjes bij te dragen aan ons geschil.

Het is, zoals Natter memoreert in zijn reactie, 24 jaar geleden dat ik de mens en de schrijver Bert Natter voor het eerst en voor het laatst zag en sprak; het was een bijzonder aangename ontmoeting in andere omstandigheden maar met een enigszins vergelijkbare aanleiding, namelijk Natters debuut, Begeerte heeft ons aangeraakt. Het spijt mij dat ik Natter nu gegriefd heb dan wel in zijn wiek geschoten; dat was niet wat ik beoogde.

Cruciaal voor een goed begrip van de huidige ‘dialoog’, meer nog: van het daaronder liggende misverstand tussen Natter en mij lijkt me dat mijn gewraakte verslag een evident persoonlijk relaas is, een verslag van mijn ervaringen bij het lezen van Natters roman Aan het einde van de oorlog. Mijn hele blog staat vol met mijn ervaringen met, bij, naar aanleiding van het lezen van literatuur; daarom heet het blog zoals het heet: ’k las ze! Het gaat onvermijdelijk over mij maar voor alles over mijn lezen en over de literaire werken die ik las.

Natter heeft een heel andere positie op het literaire veld waarover wij ons bewegen: hij is, in mijn perspectief en voor zover ik met hem te maken heb, schrijver. Bert Natter is de schrijver van de roman die ik onlangs las. Dat is zeker niet niks, maar meer is hij ook niet, zolang het over zijn romans gaat. Ik twijfel nog of ik kan zeggen: de schrijver is een factor op het literaire speelveld.

Wat wij gemeen hebben, en waardoor we in conflict zijn geraakt, is de door ons gekoesterde autonomie van onze posities en bezigheden als lezer respectievelijk schrijver. Het citaat uit Natters blogpost dat de redactie boven diens stuk op Neerlandistiek.nl plaatste, tekent zijn eigen inkleuring van zijn literair-sociologische positie heel duidelijk: ‘Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn romans in elkaar steken’. Een evidentie van het zuiverste water.

Klasse! is mijn persoonlijke, niet gesponsorde of aan een instantie of institutie gelieerde weblog, en ja: het bestond ook al toen ik nog docent moderne Nederlandse letterkunde was aan de Universiteit Utrecht, maar dat zegt niets over de aard van de posts; ik heb mijn blogposts nooit willen, en terecht ook niet mogen opvoeren als academische publicaties. Ik ken als privé-blogger het genoegen dat een keur van de stukken van zowel dit weblog als van mijn andere weblog, In den vroolijken hermeneut, op Neerlandistiek.nl wordt overgenomen. Dit gebeurt met mijn instemming; de selectie wordt echter verricht door de redactie van het digitale vakblad. De stukken krijgen door deze herplaatsing mogelijk een ander en hopelijk een ruimer publiek, maar misschien ook wel, niet geheel terecht, een wat andere status dan ze in hun eigen nest hebben.

Natter markeert zijn positie door Susan Sontags Against Interpretation (1964) aan te halen en legt mij aan de hand van meerdere voorbeelden uit hoe ik zijn roman moet interpreteren, wat ik er wel en wat ik er niet in of achter moet zoeken, welke referenties ik eruit moet halen et cetera. Mag ik dan misschien verwijzen naar La mort de l’auteur (1967) van Roland Barthes en zeggen: ‘Ik bepaal hier als lezer nog altijd wat ik vind van de wijze waarop een roman in elkaar is gestoken.’

Een ander punt tot slot. Het is klaarblijkelijk gevonden voer voor cynici dat ik ook schrijf over boeken die ik niet helemaal uitgelezen heb, over het niet uitlezen van boeken. Iedereen in literair en letterkundig Nederland, zo lijkt het, leest ieder boek altijd helemaal van het begin tot aan het einde. Wie dat niet doet, mag er niet over (mee)praten. Ik erken dat ik soms welgemoed begin aan een boek en na een tijdje moet constateren dat ik er niet, of niet met plezier, interesse of genoegen, doorheen kan komen; en dan stop ik. Als regel houd ik aan dat ik minimaal 10% van het totaal aantal bladzijden gelezen moet hebben voor ik een boek voorgoed weg mag leggen; als een boek mij niet boeit, dan hoef ik niet verder te lezen.

Premature afbreking van de lectuur impliceert mijns inziens niet dat ik over de mogelijke aanleidingen tot het onvoltooide lezen in het openbaar zou moeten zwijgen. In tegendeel. Het mislukte contact tussen het boek en mij intrigeert me enorm. Zo ook in dit geval. Ik wil weten waardoor het misgaat, of ik kan achterhalen waar het aan ligt, met in mijn achterhoofd de gedachte dat ik niet zonder reden aan het boek begonnen was, maar bijvoorbeeld wegens positieve ervaringen met ander werk van de betreffende schrijver, een nominatie voor of toekenning van een literaire prijs, een gedegen kritisch oordeel in de media, advies van een bevriende lezer, nieuwsgierigheid naar een beroemd maar mij nog niet bekend oeuvre, en zo voorts. Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn blogposts tot stand komen.

P.S.
Over Gerrit Achterberg gesproken (ik zou er niet over zijn begonnen als Natter hem niet in de discussie had gesleept): ik heb mij ooit verdiept in de genese van Achterbergs dichtbundel Spel van de wilde jacht (1957); laat Achterberg tijdens het werk aan die bundel nou daadwerkelijk een keer twee kwatrijnen hebben opgeblazen tot een sonnet. Een suggestie in die of in omgekeerde richting is [niet] onzinnig en getuigt [niet] van weinig inzicht in het scheppen van een literaire tekst.’

Dit bericht kreeg een tweede leven in het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen, Neerlandistiek.nl 

dinsdag 24 maart 2026

Bert Natter, Aan het einde van de oorlog (deel II)

Op de dag dat ik met mijn lectuur in de buurt van pagina 380 was gekomen, dat wil zeggen op ongeveer twee derden van de roman, raakte ik betrokken bij een verkeersongeval met, om kort te gaan, veel pijn tot gevolg; verder lezen ging daarna heel erg moeizaam. Omdat ik de papieren roman al had gekocht, in een gewone, echte, stenen boekwinkel met personeel van vlees en bloed en met hart en ziel voor het boekenvak, voelde ik me niet bezwaard om te proberen verder te ‘lezen’ door middel van de app Fluister.

Ik weet inmiddels wat er vervelend is aan audioboeken: je kunt er ontaard moeilijk in zoeken, zelfs bladeren is uitgesloten. 2/3 omzetten in 66,66 % lukte me nog wel na het ongeval en langs die weg kwam ik in de buurt van de voorleesminuut waar ik moest zijn in de luisterversie. Maar doordat de roman niet verdeeld is in hoofdstukken of andere makkelijk herkenbare onderdelen en niet opgebouwd is uit lange stukken van verhaallijnen, is het moeilijk om passages echt terug te vinden. Alle personages lopen los rond in dit boek, nou ja, op een beperkte ruimte verschijnen en verdwijnen ze nogal willekeurig en in wisselende frequenties. Wat ook niet helpt, in dit geval, is dat veel van de individuele verhaallijntjes los van elkaar, en sommige waarschijnlijk zelfs als je ze zou reconstrueren en achter elkaar door zou lezen, niet bijster interessant zijn als romanstof, als narratieve eenheden, als scènes. Ook als je het fysieke boek willekeurig openslaat, zijn er bar weinig indicaties op welk punt je de verhaalwereld binnenvalt.

Helder is vooral de lijn van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf die op zoek is naar zijn zoontje dat verdwenen is maar van wie de lezer al heel lang weet dat hij door een gevangene in het kamp is meegenomen naar de gaskamer en zelfs tegelijk met haar in de oven is gegooid; in en na haar doodsstrijd had ze het kind, welbewust, stevig omklemd. Het is de bizarre en lugubere, gruwelijke prelude van die verhaallijn.

De dood van dat op zich onschuldige joch staat waarschijnlijk ook voor wat anders, kan fungeren als spiegel van de totale ellende van de mens. Het lot van de jongen is zo erg dat je bereid bent tot het tijdelijk dempen van je haatgevoelens jegens zijn muziekminnende en voortdurend met nekschoten dreigende vader. Maar toch: ‘Goed dat de kleine Ernst mee de hel in wordt gesleept,’ dat mag je eigenlijk niet denken. De gevangene die hem meenam, deed dat ook niet zonder te twijfelen. Zo komen er ook andere onaangename gedachtes letterlijk voor in het boek. Het is niet vreemd dat de lezer die mede kan ontwikkelen. Je bent als lezer voortdurend bezig morele afwegingen te maken, ook doordat je er soms per ongeluk niet aan ontkomt geraakt te worden door de gevoelens van verdriet of ellende die zelfs deze ongehoord schofterige moffen blijken te hebben. Je gaat anderzijds ook begrijpen dat de Joodse gevangene Szymon, die als lid van het Sonderkommando van Zehlendorf de lijken uit de gaskamer de oven in moet sleuren, hoopt dat de oorlog niet ten einde komt, omdat zijn afschuwelijke taak in het kamp de enige zekerheid is die hij nog heeft, de zekerheid dat, als hij dit goed doet, anders dan die duizenden anderen in leven blijft; dat hoopt en denkt hij althans.

Het luisteren naar de roman ging weliswaar beter dan het schriftelijk lezen ervan maar ik begreep nog steeds niet hoe de resterende 200 of 250 bladzijden nog met vertelsel gevuld zouden kunnen worden. Nou ja, aan ieder voorval kan een geverseerde schrijver wel een wending geven, elk van de 31 personages kan hij tot inkeer laten komen of op andere gedachten laten brengen, enzovoorts en zo voorts en verder maar weer. Ieder voorval wordt hier op een heel letterlijk, realistisch niveau beschreven en alle gevoelens worden benoemd en expliciet gemaakt. Het lijkt bij vlagen een kasteel- of een streekroman of iets anders van lowbrowgarnituur. Van grote kneuterigheid vind ik het geneuzel van Herbert, de chauffeur van Karl, die bijvoorbeeld de motor van de DKW uitzet om benzine te sparen want er is al niet zoveel benzine meer maar dan gaan ook de lichten uit terwijl zijn baas in het donker zijn kind aan het zoeken is waarom Herbert dan dus de motor toch maar weer start zodat dan de lichten weer aan gaan want zo gaat dat bij een DKW die niet een echt chique Mercedes-nazi-wagen is omdat Karl maar een plaatsvervangend kampleider is en niet zoals...u.s.w.

Ik snap niet dat mensen dit deels larmoyante verhaal meeslepend kunnen vinden. Ik moet er inmiddels aan toevoegen dat ik niet meer in optima forma verkeer, al kan ik op mijn gemak naar de roman luisteren; er zit me wel een gezinsdoos paracetamol dwars of in ieder geval dat waarom ik die gezinsdoos verorberd heb, pijn. Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort, zelfs als het de bedoeling was dat de lengte van de roman, de duur van de vertelling, een afbeelding zou zijn van dat wat die roman wil betekenen, een afbeelding van waar het in de roman in wezen om gaat. De avonden telt toch ook maar 222 pagina’s.

Ik beëindig het luisteren voortijdig, op 20:45’34 van de totale duur van 23:41’22.
(zie toch: de verteltijd dekt de vertelde tijd)

Dit bericht kreeg een tweede leven via het digitale vakblad voor Neerlandici Neerlandistiek.nl

Bert Natter, Aan het einde van de oorlog (deel I)

Roman. Thomas Rap, 6e druk. Amsterdam 2026 (1e dr. 2025). Paperback, 634 bladzijden.

Het inmiddels zesdelige oeuvre van Bert Natter volg ik sinds zijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt (2008) dat ik meer dan eens verslond. Daarna heb ik als daadwerkelijke Natter-lezer elk volgend werk van hem in de boekhandel wel ingezien en doorbladerd maar niet aangeschaft. Om allerlei uiteenlopende, niet makkelijk nader te omschrijven redenen bleef het daarbij.

Hoe gaat dat: aankondiging titel in de pers; naar de winkel om uitvoering, lezerloktekst op achterflap, eerste pagina en wat fragmenten te proeven; impressies + stemming van het moment, mede gevoed door reeds voorhanden lectuur > oordeel aanschaf ja/nee.

Sinds januari vorig jaar was ik wat betreft Aan het einde van de oorlog blijven hangen in een negatief aanschafadvies aan mezelf, al las ik er lovende recensies over. De roman bleef zo veertien maanden op de achtergrond van mijn literaire aandacht hangen totdat ik uit woede en verbijstering over de grondeloze stupiditeit van het zogeheten boekenweekgeschenk van dit jaar en om mijn geliefde Arnhemse leverancier Hijman Ongerijmd die daar ongevraagd mee opgezadeld werd, niet in de steek te laten, en ik tegelijkertijd in de peiling kreeg dat het boek van Natter tot de kortlijst van de Libris-prijs was doorgedrongen – een zoveelste blijk van (semi-)professioneel-kritische waardering – Aan het eind van de oorlog aan mezelf cadeau deed.

Toen de verkoopster bij het inpakken vroeg of ze het CPNB-geschenkje erbij zou steken, kon ik mijn bittere gevoelens jegens die bagger gelukkig bij een kenner en liefhebber van de Nederlandse literatuur goed gekanaliseerd kwijt met een hartgrondig: ‘Nee, dank je, liever niet!’, wat ook nog eens een goed gesprek aan de kassa opleverde. Ik hoop dat ze haar geschenkoverschot per CB-koerier mag retourneren en dat het de CPNB vergaat als de firma Lauwereyssen.

In de winkel was ik wederom geschrokken van de omvang van Natters jongste roman. Er staan thuis meerdere vuistdikke romans op een volledige lezing te wachten, vooral al dan niet vertaalde niet-Nederlandstalige, trouwens. Maar zelfs Otmars zonen van Peter Buwalda, een andere Libris-prijs-2026-genomineerde, ging er aanvankelijk niet moeiteloos bij mij in. Ik ben kennelijk een lezer zonder de juiste eigenschappen om literaire turven te verteren. Maar de kwalificaties achterop het boek werkten prikkelend: hypnotiserend, doordenderend, meeslepend, aangrijpende stijl. Die deden me denken aan Natters debuut (271 bladzijden).

Behalve de omvang, trok ook de brokkelige tekstopbouw van Aan het einde van de oorlog me al in de winkel, ook de tweede keer, niet sterk aan. Steeds staat in een soort kopje in vetgezette kleinkapitalen de naam van een personage vermeld, erachter een locatie, in gewone kleinkapitalen, eronder met een wijdere linkermarge een brok reguliere romantekst van enkele regels tot hooguit een bladzijde of twee, drie.*

Ondanks de geringe lengte van de onderdelen is het dikke boek er een van een lange adem want het kent geen geleding in hoofdstukken of delen. Daarbij komt dat het begint in medias res, wat betekent dat de lezer geen gelegenheid krijgt om eerst een forse teug leesadem te nemen bij aanvang van de lectuur. Deze roman is een grote quilt van fragmenten, een lappendeken met overduidelijk naaigaren die in de verte een beetje aan een toneeltekst doet denken, het scenario van een drama met maar liefst 31 (zegge: eenendertig) verschillende personages en perspectieven. En ik lees nooit toneelteksten.

De titel van de roman is op z’n minst prachtig, zowel naar de vorm als wat betreft de inhoud. Tweemaal de combi van voorzetsel, lidwoord, zelfstandig naamwoord; tweemaal een anapest met een naslag.** De aanduiding van een traag proces, niet het eind van de oorlog zelf, niet een moment, maar iets, een gebeurtenis of een drama aan of in de buurt van of tegen het einde van de langdurige oorlog; welke oorlog, dat behoeft geen uitleg (het is anno 2026 wel de vraag hoe lang deze vanzelfsprekendheid nog houdbaar zal zijn).

Inmiddels ben ik tot bladzijde 94 gevorderd, bijna 15% van het totaal. Tot mijn tevredenheid begint er zich iets af te tekenen wat mijn aandacht hoogst waarschijnlijk wel vast zal kunnen houden. Het had ook niet veel langer op zich moeten laten wachten, want de wirwar, het ratjetoe van elkaar afwisselende focalisatoren vind ik vooralsnog meer irritant dan boeiend; steeds weer moet je een ander verhaaldraadje terugzoeken, opnemen, vervolgen en weer loslaten. Daar komt bij dat de verschillen tussen de personages niet door enige stijldifferentiatie tot uitdrukking worden gebracht; alle signaleren ze gortdroog wat er om hen heen gebeurt, terwijl het voor de alles en iedereen overkoepelende vertelinstantie, net zo goed (grosso modo) als voor de achterflaplezer, evident is wat er aan de hand is, welke crisis er dreigt, hoe afschuwelijk het allemaal nog kan worden.

Dat Natter ervoor gekozen heeft om al de zeshonderdvierendertig bladzijden te gebruiken om één enkel etmaal te beschrijven mag een waagstuk heten, met alle gevaar van dien. Ik hoop dat ik het kantelpunt bereikt heb. Wil je het positief zien, kan je rekening houden met het aantal focaliserende personages, dan zou de vertelde tijd van deze oorlogstragedie een maand beslaan. Zo bezien maakt deze roman bij mij althans meer kans op een voltooide leesgang dan Ulysses, zelfs al is Joyce stilistisch vele malen exuberanter dan Natter.

Op pagina 125 of daaromtrent begint de barre ellende, het onmenselijke geweld, de nazi-terreur meer door te dringen in de vertelling, die evenwel in stilistisch opzicht volkomen vlak en veldgrijs blijft. In een goedmoedige bui bedacht ik dat daar misschien een bedoeling achter steekt: doordat groot en klein, hoog en laag, slachter en slachtoffer met uniforme middelen plat worden geslagen in de tekst, brengt de vertelinstantie naar voren dat excessief gewelddadig gedrag, blinde dominantiedrift en waanwijze eigendunk net zo menselijk zijn, in potentie, als edeler gevoelens, gedachten en gedragingen. Standpunt van Hannah Arendt, lijkt dat, geloof ik, met betrekking tot de banaliteit van het kwaad.

Dat wisten we al, en dus moet Natter mijns inziens nog wel met iets nieuws, iets anders op de proppen komen om zijn keuze te verantwoorden om een aan deze roman gebonden éígen verhaallijn uit de weg te gaan en te blijven steken in een nauwgezette, secure, niets overslaande kopieerlust des dagelijkschen gevangenenkamplevens, hoe bijzonder de dag in kwestie ook mag zijn geweest. Het schiet maar niet op, nu dit, dan weer dat en die niet vergeten en hij en zij en die weer en dan ook et cetera.

De gekozen presentatie kan als effect beogen duidelijk te maken dat iedereen alleen maar handelt uit een welbewust met oogkleppen dichtgetimmerd eigenbelang of uit domme, passieve trouw aan gezag annex machteloze onderhorigheid aan geweldenaars. Maar hoe interessant is het voor een roman om dit zo oeverloos en détail eenendertig maal opnieuw te presenteren en het niet uit te drukken door middel van een enkel welgevormd, algemeen geldend narratief beeld, liefst een waaruit een eigen visie van de auteur blijkt?

Natter blijft, vrees ik nu ik op pagina 131 ben, steken in een gefragmenteerde en schier eindeloos uitgewalste herhaling van het bekende. Tachtig jaar na het einde van WO II heeft iedereen al tientallen romans over deze of vergelijkbare materie kunnen lezen en minstens zoveel films kunnen zien. Het af en toe noemen van het geluid dat personages horen op de achtergrond van het naamloze kamp, dat volgens hen op de komst van de Russen zou kunnen duiden, is een zwakke narratologische nabootsing van de in Dolby Surround daadwerkelijk door de bioscoop donderende geluidsterreur die The Zone of Interest (2023/4) zo imponerend maakte.

En ja, vertraging kan een middel zijn om een inhoudelijk effect sterker te doen uitkomen. Vertraging genereert evenwel niet alleen aandacht en spanning, maar ook verveling, afdwalende gedachten, vergeefse verzuchtingen van de lezer richting de vertelinstantie: ‘Schiet nou eens eventjes op, joh! Kom op met je verhaal!!’ 

Op pagina 141 gebeurt het voor het eerst even dat de handelingen in twee opeenvolgende tekstonderdelen rechtstreeks met elkaar te maken hebben. Tot nu toe ging het vooral om co-incidenten die zich weliswaar op hetzelfde terrein afspelen binnen eenzelfde tijdsbestek, maar die geen interactie kennen. Nu pas komt er, met andere woorden, wat lijn in het vertelde, ontstaat er een samenhangend verhaal, is er sprake van handelingsoverdracht, continuïteit van scènes. De opkomst van deze dynamiek valt samen met de stijgende crisissituatie, de toenemende noodlotsverbondenheid van de personages, de uitbouw van het drama, kortom: met het ontplooien van wat een waar verhaal kan heten. Maar helaas blijft de vertrouwde brokkelige structuur goeddeels behouden. Alles loopt door elkaar, zonder betrekking, en na twintig pagina’s is het mini-plotje met een gruwelijk eind alweer afgerond. 

Ik merk dat ik meer Ausdauer dan gebruikelijk moet verzamelen om verder te kunnen lezen; anachronistische interjecties in personagetekst gaan me irriteren, net als het universele, stugge, grijze lexicon waaruit de personages blijken te kunnen putten, ongeacht leeftijd, rang, stand, ontwikkeling, opvoeding, ideologie, overtuiging en overlevingskansen. Onbenullige handelingen worden steevast uitvoerig door de vertelinstantie weergegeven: ‘Reinhart plaatst zijn hengel tegen de muur van de schuur. De emmer met de pieren zet hij erbij, naast de deur. Hij overweegt de diertjes vrij te laten, maar hij doet het niet.’ En morgen komt tante Pollewop op bezoek. Dat die emmer met pieren een paarhonderd pagina’s verder boven iemands hoofd wordt omgekeerd, doet niets af aan de nietszeggendheid van de eerste vermelding ervan.

Tot op pagina 230 krijg ik vooralsnog niet de indruk dat de versnippering van de verhaallijnen enig literair effect heeft; ook een misschien beoogde suggestie van de synchroniciteit van die 31 lijnen komt niet uit de verf, en wordt al helemaal niet duidelijk in de steigers gezet, mijns inziens. Ik lees door, maar ondanks de vertelstructuur; erger nog: ik ben me er voortdurend van bewust dat ik die constructie aan het negeren ben. Ik lees door omdat ik Natters debuut erg goed vond en omdat ik heb gelezen dat anderen deze nieuwste roman ook heel erg goed vonden.

Zo’n leeshouding is niet bevorderlijk voor literair genoegen. De zich zelf ten onrechte muzikaal talent toedichtende kleinburger met een gefrustreerde sociale ambitie die zijn heil (ja, bewuste woordkeus) vindt bij de SS en in de bewindvoering over een Lager, is nu ook weer niet een spannende romancreatie. Deze Obersturmführer Karl Zehlendorf zat me meteen al dwars; ik had die gevoelens voor hem toch voor de lieve leesvrede gesuspendeerd, maar nu hij ook nog eens zijn secretaresse verkracht, speelt hij de waardering voor deze vertelling weer stevig parten, net als zijn verwende en verveelde cliché-echtgenote met misplaatste sterallures dat doet. Te platte, te kartonnen personages.

En ja: de gruwelijke, excessieve misdadigheid van een totalitair regime komt wel uit de verf van dit narratologisch-pointilistische maar vooral grijze groepsportret. Natter gaat de gewelddadige, genocidale details niet uit de weg, noch de morele dilemma’s waarmee slachtoffers kampen die zich tegen een dergelijk regime willen en proberen te verzetten.

Tegen pagina 305 begint het me te dagen dat sommige personages misschien toch wat meer diepte krijgen; ze worden althans wat minder standvastig in hun opinies en lijken daardoor wat menselijker; iedereen denkt te weten hoe het zit met vork en steel, hoed en rand, iedereen bedriegt op z’n minst zichzelf. Zie, de mens. Het laveloze slotakkoord van de viering van de geboortedag van de grote Leider heeft wat opzettelijk komieke kantjes, maar haalt het helaas in geen velden of wegen bij de bizar hilarische spruitiging in Natters debuut.

De grootse zoektocht naar de verloren zoon van Karl die volgt – het plotje waarmee de uitgever achterop het boek de aandacht van de lezer probeert te trekken – is totaal niet spannend; de lezer kent het gruwelijk lot van het jochie al. Die dramatische ironie zuigt alle emotie en spanning uit wat er voorvalt en alle nieuwsgierigheid uit deze lezer. Het verhaaltje duurt wat mij betreft veel en veel te lang en ziet eruit, ook al wordt het doorweven met talloze andere fragmentarische verhaallijnen, als een amateuristische nabootsing van een met slapstick verknipte feuilleton-Krimi waarin iedereen hypotheses op mag werpen die geen steek houden en recherches kan opzetten die kant noch wal raken.

Inmiddels groeit de gedachte dat de versnippering van de verhaallijnen van de 31 personages bedoeld kan zijn om zowel ’s mensen eenzaamheid als diens leugenachtigheid tot uitdrukking te brengen: iedereen, niemand uitgezonderd, leeft ongeveer langs alle anderen heen en draait, verdraait, verzwijgt en/of liegt dat het een aard heeft om z’n, d’r of h’n eigen hachje egoïstisch veilig te stellen, en niet alleen de nationaal-socialistische machtsstructuur is daar debet aan. Alleen de anonieme duizenden, tienduizenden gevangen zijn niet aan deze duiding onderhevig; maar zij komen bijna niet ter sprake en krijgen al helemaal nauwelijks tekst of focalisatie; zij zijn een anonieme massa.

Mijn lectuur van de roman werd hier ongeveer onverwacht en onvrijwillig onderbroken.
Wordt vervolgd


* Weinig fraai vind ik het dat er regelmatig na een tussenkop in de eerste regel van het eronder staande tekstdeel opnieuw de naam van het betreffende focaliserende personage wordt gebruikt, zoals, driemaal achtereen, op pagina 131:

GISELLE IN DE KLEEDRUIMTE
             De jongen kijkt Giselle aan en [...]

YOLANTA VOOR BARAK 19
             Yolante staat in de rij voor het eten bij haar barak. [...]

REINHART AAN DE OEVER VAN HET MEER
             Reinhart heeft geen zin meer om te vissen, maar [...]

Daar had toch beter ‘haar’, ‘Ze’, respectievelijk ‘Hij’ kunnen staan?
Niet fraaier is deze: 

KARL IN DE VESTIBULE VAN DE KOMMANDATUR 
            Terwijl hij in de vestibule staat, hoort Karl hoe het orkest wordt afgemarcheerd.

** Let wel, een zuiver anapestisch tweevoetig titelalternatief zou zijn: Aan het eind van de krijg, maar dat zou de hele roman misschien in een ongewenst bruin licht zetten, hoewel het dreigende omslag, begrijpelijk, niet veel fleuriger is dan dat.


Dit bericht kreeg een tweede leven via het digitale vakblad voor Neerlandici Neerlandistiek.nl