woensdag 16 september 2026

Susan Sontag, Illness as Metaphor & AIDS and its Metaphors

Penguin Books. Reprint in Penguin Classics, London 2002 (1st ed. 1991). Paperback, zo goed als ongelezen aangetroffen in een straatbibliotheekje, 180 bladzijden. Het eerste essay stamt uit 1978, het tweede uit 1989.

Op een dag had ik me voorgenomen eens iets te lezen van Susan Sontag (1933-2024); dat was zo’n auteur naar wie veel verwezen werd in boeken en artikelen van andere auteurs die ik wel las; daar moest toch een zekere waarde in schuilen.

Op een dag, lang na de voornoemde, wist ik mij de gelukkige bezitter van een pocketboek van perfect formaat en met een heel mooie foto op het omslag; het was een heruitgave door Penguin van Sontags On Photography (oorspr. 1977). Toen ik het ging lezen, vond ik er echter niks aan, omdat het in mijn optiek een opgeblazen stapel grondeloze generalisaties was. Bij iedere diepzinnig bedoelde opmerking over ‘de fotografie’ of ‘de fotograaf’ is ‘zus en zo en dit en dat!’, dacht ik: ‘Dat kan jij wel vinden, maar ik denk er toch een tikkie anders over.’ Met evenveel argumenten als Sontag (ingetogen veldonderzoek met N=1 waarbij 1=zij resp. ik zelf). 

Op een dag niet lang daarna had ik het boek aan een volgende lezer weten te slijten via mijn online tweedehands-boekenwinkeltje. Toen ik vervolgens op een mooie nazomerdag met de hond bij het straatbiebje stilstond waar ik wel vaker bij stilhoud, trof me weer een mooie tweedehandspocket met weer een mooi omslag en weer van Susan Sontag. Daar komt bij dat ik net zo veel houd van fotograferen als van metaforen. En nu heeft Sontag me wel bij de lezerslurven.

Het boek is al zo oud en bekend dat ik hier vast niet hoef uiteen te zetten dat het gaat over tering, syfilis, kanker, pest en AIDS. Over ziektes, niet over scheldwoorden. Ik hoef vast ook niet uit te leggen dat het een soort cultuurhistorisch-fenomenologisch essay is over het hoe en waarom van het gebruik van die ziektes als metaforen, en (dus) ook over hoe men vroeger die ziektes ‘zag’ en beoordeelde. Sontag, ervaringsdeskundige met kanker, heeft er heel veel leeswerk voor verricht en citeert veelvuldig. Het is een leerzaam boek, het eerste essay althans; aan het tweede ben ik, nu ik dit tik, nog maar net begonnen.

Pas in ‘Chapter Nine’ van Illness as Metaphor, om precies te zijn op pagina 75 van het boek, struikelde ik over weer zo’n On Photography-achtige, grondeloze generalisering of aanname of vooronderstelling, die Sontag met veel aplomb op het papier kwakt maar waar ik graag een steviger onderbouwing bij had gezien:

Throughout the nineteenth century, disease metaphors become more virulent, preposterous, demagogic. And there is an increasing tendency to call any situation one disapproves of a disease. Disease, which could be considered as much part of nature as is health, became the synonym of whatever was ‘natural’.

En daarop volgt dan een citaat uit Les misérables van Victor Hugo uit 1862, een van Gramsci uit 1916, van Mandelstam uit 1919 en Marinetti uit 1920.

Grote stappen, snel thuis. Maar hier zijn Sontags stappen zo groot dat ik haar spoor bijster raak; bij ons thuis is de negentiende eeuw eerder afgelopen. Mijn waardering voor het eerste essay blijft steken bij Sontags ideeën over de veronderstelde betekenis van de genoemde ziektes, de bron van hun metaforiciteit en de historische gegevens met betrekking tot de besproken ziektes.

Ik schrijf met opzet ‘metaforiciteit’ in een poging tot navolging van Sontags terminologische flair. Zij heeft het onder andere over ‘metaforiseren’ alsof dat een duidelijk procedé is; uitleg is kennelijk niet nodig, waar de bedoelde metaforen betrekking op hebben, zegt ze er niet bij, althans niet met precisie. Zo kan ik het ook. Plato’s Poetica aanhalen (met ‘1457b’ tussen haakjes achter de titel) als de als enige theoretisch bron voor het tamelijk complexe begrip ‘metafoor’, staat misschien een beetje stoer, maar het helpt zeker niet.

In haar voorwoord bij het eerste essay noteert Sontag:

My subject is not physical illness itself but the uses of illness as a figure or metaphor.

Gevallen daarvan noemt ze niet of nauwelijks, als ik het mij goed herinner, en centraal staan ze zeker niet. Want:

My point is dat illness is not a metaphor, and that the most truthful way of regarding illness – and the healthiest way of being ill – is one most purified of, most resistant to, metaphoric thinking.

Ik kan mij geen studie voor de geest halen waarin wordt beweerd dat ziekte een metafoor zou zijn. Het essay is evenwel geen strijd tegen windmolens maar veeleer een verkenning en analyse – men zou met enige overdrijving ook kunnen zeggen: een fenomenologie – van de historische en actuele beeldvorming van, rond of met betrekking tot ziekte, meer in het bijzonder ziekte als TBC, syfilis en kanker, en in het tweede essay AIDS. Voorbeelden van dergelijke beeldvorming zijn het veronderstelde hogere geestelijk leven van de TBC-lijder, de romantiek van de wereldlijke afgezonderdheid in het sanatorium, de felle strijd tegen kanker, het al of niet schuld hebben van de patiënt aan het lijden aan een ziekte en zo verder. Die beeldvorming was en is volgens Sontag bij uitstek mogelijk wanneer de precieze oorzaak en de feitelijke effecten van een ziekte niet grondig en eenduidig bekend zijn. Gebrek aan kennis maakt het mogelijk om een verderfelijke ziekte een pest of een plaag te noemen, een straf van de goden.

Die verdoezelende metaforen wil Sontag ontmantelen. In het begin van het eerste hoofdstuk van het tweede essay karakteriseert zij het eerste essay dan ook als haar ‘polemic against metaphors of illness’. Daarop volgt een slappe retorische antithese: ‘Of course, one cannot think without metaphors. But that does not mean that there aren’t some metaphors we might well abstain from or try to retire.’

Als tien jaar na Illness as Metaphor Sontag haar ziekte te boven is gekomen, en zich wereldwijd een nieuwe, grootschalige kwaal aandient die het verdient door haar verhelderd te worden, is de medische kennis omtrent kanker enorm gegroeid en Sontag probeert in het eerste hoofdstuk van AIDS and its Metaphors niet de kromme suggestie uit de weg te gaan dat haar essay daaraan zou hebben bijgedragen.

Dat tweede essay is minder enerverend dan het eerste. Misschien doordat er al veel sneller veel meer over die nieuwe ziekte bekend was, misschien doordat Sontag er heel veel woorden voor nodig heeft om toch nog eens uit te leggen wat die ziekte precies inhoudt en wie eraan leden en lijden, misschien ook doordat het betoog niet strak geregisseerd is; het wappert alle kanten uit. Als het dan weer over de pest gaat, laat ik het boek langzaam dichtvallen, ook omdat Sontag haar overtreffende trappen en generalisaties geen moment tempert.

Voor ik het boek definitief wegleg, zie ik nog de slotalinea en constateer dat die niet over AIDS als metafoor gaat, maar over Sontags bezwaar tegen de militaire metaforiek (met beelden als ‘strijd’, ‘strijden’, ‘vechten’, ‘gevecht’, ‘nederlaag’, ‘verliezen’) die vaak gebruikt wordt in het discours over die ziekte. Beetje jammer dat ze met ‘polemic against metaphors of illness’ uit hetzelfde metaforische vaatje tapt. Een essay, ook al beoogt het een kritische discours-analyse te zijn, is geen oorlog. Men moet zuinig zijn met sterke metaforen.

vrijdag 11 september 2026

Julia Schoch, Das Vorkommnis

Roman. 3. Auflage. dtv, München, 2024 [1. Aufl. 2022]. Biographie einer Frau. Erstes Buch. Bibliotheekboek, hardback, met leeslint (nog op de plaats waar het bij de binder erin gelegd was), 192 pagina’s inclusief één met de Quellennachweis met drie Quellen. 

Eerder las ik al deel twee van het drieluik Biographie einer Frau; dat tweede deel was hier in het nieuws wegens de verschijning van de Nederlandse vertaling ervan. Dit eerste deel is, gek genoeg, nog niet vertaald; zo ga je toch niet met drieluiken om?

Inmiddels ben ik op pagina 66, en ik lees er met plezier en aandacht in, wat bepaald niet goed lijkt aan te sluiten bij mijn eerdere ervaring met het lezen van het tweede deel. Ik wist ook niet meer dat ik niet de vertaling maar een Duitse e-uitgave had gelezen, of: had proberen te lezen.

Het begin van mijn lezen van dit eerste deel viel ongeveer samen met het verschijnen van Conny Palmens laatste, althans jongste, roman, die met die domme whiskytitel; ik las alleen een interview met Palmen in de Volkskrant en wist meteen dat ik haar naar eigen zeggen door uiterst noeste denkkracht uit haar superieure hersenen geperste nieuwe roman niet zou gaan lezen: te veel en te egomaan gezever over haar enig-eigenste diepste leven en hoogpolige schrijven op haar enig-allerhoogste extremistisch, absolutistisch denkniveau.

Het werk van Schoch, voor zover ik het ken (en dat is dus nog niet ver) lijkt maar een heel klein beetje op dat van Palmen (al kan natuurlijk niemand, in welk taalgebied dan ook, daar werkelijk aan tippen) omdat het leven van de auteur zelf er nadrukkelijk in centraal staat, samen met haar schrijven over dat leven. Zo nauw hangen leven en schrijven samen dat ik tegen Palmen zou willen roepen: keer je af van je eeuwige zelf en verzin eens iets dat op een echt verhaal lijkt!

Maar Das Vorkommnis zit ik heel stil en aandachtig te lezen. Het is een onnavolgbare en niet makkelijk samen te vatten monologue intérieur van een naamloze ik-vertelster waar niemand anders achter schuil kan gaan dan Julia Schoch zelf. Deze ik-figuur is getrouwd met ‘mein Mann’ en heeft twee kinderen, waarvan ze de oudste alleen maar aanduidt met ‘das älteste Kind’, het jongste met ‘das Baby’ of ‘das jüngere Kind’. Er is dus wel enige afstand tussen leven en werk, werkelijkheid en fictie. Startpunt van de vertelling is dat, bij de signeersessie na afloop van een lezing over eigen werk, een haar onbekende vrouw haar aanspreekt en mededeelt: ‘Wir haben übrigens denselben Vater.’

Wat dat laatste zinnetje van de eerste alinea van de vertelling allemaal losmaakt in het denken van de ik-vertelster, is volstrekt uniek en persoonlijk, in die mate dat het volgens mij een abstract resumé van het verhaalde in de weg staat, mede doordat het denken en voelen van deze schrijfster (het personage, bedoel ik nu vooral) soms wat irrationele, magische trekjes heeft. Ik begrijp zelf nog niet waardoor ik zo door dit boek, door deze beschouwende en herinnerende vertelling meegenomen wordt. Nou ja, een blurb op het achterplat lijkt dit aan te duiden; Richard Kämmerlings schreef in Literarische Welt:

Julia Schoch is eine Meisterin darin, mit simplen Sätzen einen tiefen seelischen Schwindel zu beschreiben und auch beim Leser zu erzeugen.

(Schwindel moest ik even opzoeken; betekent: duizeligheid). Ik denk dus nu al te weten dat ik Das Liebespaar des Jahrhunderts (2023) ga herlezen als ik Das Vorkommnis (2022) uit heb. Dan heb ik ze meteen in de goede volgorde.

De overpeinzingen van de vertelster zijn beschouwingen van, reflecties op het eigen leven en de eigen herinnering eraan; soms gaat het zelfs richting her-herinnering omdat ze erachter komt hoe vertekend haar herinneringen zijn door gebrek aan de juiste kennis ten tijde van de herinnerde ervaringen. Het gaat dus ook (weer) over de bewustwording van de on-onbedorvenheid van herinneringen. Ik had hier bijna achteraan getikt: en herinneringen zijn bestanddelen van de menselijke identiteit. Dat deed ik niet, omdat een aantrekkelijk aspect van Das Vorkommnis ook is dat Schoch, anders dan Palmen, op basis van het particuliere niet generaliseert naar het algemene; haar vertelling blijft singulier, blijft persoonlijk. Alleen doordat haar verhaal herkenbaar is, kan een lezer erdoor bevangen worden en ruimere conclusies trekken. Denk ik.

De ik-vertelster gaat, met haar moeder, onder meer proberen te achterhalen wie toch de vrouw in Amiens was die door de grootvader van de vertelster in de Tweede Wereldoorlog bezwangerd werd; dat heeft ermee te maken dat de moeder van de vertelster een soort omgekeerd leven leidt: nu alles achter de rug is, breekt voor haar pas de vrijheid van de jeugd aan; daarvoor was ze alleen maar dienstbaar, en mogelijk onbekend met het gegeven dat haar (latere) echtgenoot al een kind had verwekt bij een andere vrouw.

Nu ik hier toch een soort resumé probeer te geven, klinkt het verhaal een beetje armetierig, om niet te zeggen: larmoyant. Maar dat is deze roman juist niet; waarschijnlijk omdat het accent steeds net op tijd weer komt te liggen op het welbewuste reconstrueren van het verleden dat misschien het eigenlijke onderwerp van de roman is, maar zónder dat die daardoor een halfbakken remake lijkt van zo’n over de top geconstrueerde, Nieuwe Revisor-achtige roman uit onze jaren tachtig van de vorige eeuw. Een ander hoofdthema is de onbetrouwbaarheid van de herinnering, en ook van die van de waarneming, of: de problematiek van de (gewenste) on-vooringenomenheid van de waarneming en de herinnering.

De hoofdstukken zijn niet te lang (72 stuks op 191 pagina’s), wat het makkelijk maakt steeds korte stukken te lezen; aangenaam, want het zijn niet de grootse en meeslepende avonturen die de lezer gijzelen, wel de spitsvondige overpeinzingen naar aanleiding van (kleine) voorvallen die deze lezer boeien.

Wat in het bovenstaande niet naar voren komt, is wat in de roman evenmin sterk op de voorgrond staat maar daarachter wel een soort bestendige aanwezigheid is: het gegeven dat de jeugd van de ik-figuur zich afspeelde in het voormalige Oost-Duitsland, de DDR, en dat zij de val van de muur meegemaakt heeft, een voorval met vergaande gevolgen, verder gaande gevolgen dan op het eerste gezicht duidelijk is.

P.S.
Langs nu even niet nader te doorgronden wegen dringt zich iets van de poëzie van C.O. Jellema op in mijn aandacht:

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

‘Van dingen spreek ik ...’, in: Verzameld werk. Gedichten. Bezorgd door G. Wynia. Querido, Amsterdam 2005, p. 24 (oorspr. in de debuutbundel Klein gloria uit 1961).

dinsdag 1 september 2026

Allard Schröder, Dood en leven van de jonge Selder

Roman. De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2026. Hardback (bibliotheekboek), 447 bladzijden, inclusief die ene met de ‘Verantwoording’ van de bron (en vertaling) van citaten en de ‘illustratie op de omslag’, een foto van ‘een hellenistisch, bronzen masker van de god Dionysus uit de periode 200-100 van onze jaartelling.’

Spoiler: van de 447 bladzijden die de roman beslaat, heb ik slechts de eerste 236 gelezen. Ik ben, met andere woorden, niet verder gekomen dan het vierde hoofdstuk van het eerste deel; het vijfde en zesde hoofdstuk van het eerste deel, de beide hoofdstukken van het tweede deel en ‘Het eerste en enige hoofdstuk’ van het derde deel heb ik dus niet gelezen. Ik weet niet wat ik mis.

Het begin van de roman, ongeveer de eerste drie hoofdstukken, heb ik met genoegen, soms met uitschieters naar groot genoegen, gelezen en dat kwam door de merkwaardige mengeling van enerzijds Schröders aanwijzerige, gortdroge stijl (gelardeerd met lyrische zijpaden in de beschrijvingen van mensen en ruimten) en anderzijds de magisch-realistische wereld waar hij mij des ondanks moeiteloos in mee wist te slepen. Het was vooral de magische realiteit die me verraste tussen al dat gort. Want zeg nou zelf, een passage als de volgende is bepaald geen uitgelezen koren op de molen van de literaire lezer:

Selder had een droom. Het was een vreemde droom, maar waren niet alle dromen vreemd, omdat mensen in hun dromende hoofden nu eenmaal vreemd waren?

De jonge, gesjeesde student Robert Selder, die niet weet wat met zijn leven aan te vangen, wordt, zoals in elke recensie staat te lezen, als hij een voor hem niet geslaagd maar toch uitbundig feest verlaat, doodgereden. Maar de roman volgt hem doodgemoedereerd verder in zijn na-bestaan als een (absoluut niet zombie-achtige) on-dode in een parallelle wereld, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat leest allemaal als een overtuigend verhaal. Ik noem dat magisch realisme van hoog niveau. De titel van de roman past er, met zijn lichte raadselachtigheid, heel goed bij.

Misschien zit het overtuigende er tevens in dat je als lezer in Nederland anno 2026 heel gemakkelijk parallellen kunt trekken met het onzekere bestaan van de vluchtelingen en asielzoekers die hier te lande vrijwel nergens een welkom lijken te vinden, nergens ontvangen worden, nergens graag gezien, laat staan geaccepteerd worden, terwijl zij, evenmin als Selder en misschien zelfs minder dan hij, verantwoordelijk zijn voor hun eigen lotgeval in wat dan heet hun ‘eigen’ land.

Selder herkent zijn omgeving steeds minder goed, en daar heeft de lezer dan ook last van omdat Selder de belangrijkste focalisator is in zijn wereld. Hij is uit zijn universiteitsstad teruggekeerd naar het ouderlijk huis in de voorstad van P***, doorgaans alleen aangeduid als de voorstad. Als hij dan ook nog eens verzeild raakt in Almannië, waar hij de mensen niet goed kan verstaan en zijn papieren niets waard blijken te zijn, net als zijn identiteit, wordt zijn situatie wel vreemder, maar nog steeds niet onmogelijk. Zelfs niet als hij zich aanmeldt voor krijgsdienst, wat onder een verzonnen naam mag en wat kan resulteren in een nieuwe identiteit. Nergens klinkt het woord vreemdelingen-legioen, maar ik moest er wel aan denken. Iets van Slauerhoff wellicht?

Het vervelende is dat in dat leger van Almannië (wie denkt dan al niet aan Allemagne) rangen zijn als die van (onder)bentleider, zonder dat er iets in de roman, althans het deel dat ik ervan las, gedaan wordt met de thematiek van Nazi-Duitsland en/of het Nederlandse oorlogsverleden; in tegendeel: er wordt een oorlog gevoerd tegen een fictionele andere macht in het zuidoosten van Almannië. Maar ook over (de parallel met) de terreuroorlog van Rusland tegen Oekraïne lijkt deze roman niets te willen zeggen.

Dat kan. Dat is een mogelijkheid. Maar het is een probleem dat de zogenoemde oorlog in de roman absoluut niet uit de verf komt als een oorlog, mede doordat die verdoolde en ook mentaal wereldvreemde Selder, die zich nu Elders laat noemen, de focalisator is. Ja, er wordt gelopen, en er wordt geschoten, en er zijn soldaten en soldatenmaten (hier velders genoemd), en er zijn geweren en kogels, branden en ruïnes, lijken en uniformen, het wordt allemaal opgelepeld maar het snijdt geen hout. Heel hoofdstuk vier van het eerste deel is eraan gewijd en deed het boek voor mij in het literaire vergeetboek verdwijnen.

Hierboven stipte ik al even Schröders stilistische zijpaden aan. Die leiden de lezer, deze lezer althans, hier en daar het bos vol onbegrip in. Ik signaleerde op pagina 146 een vergelijking van ‘hemelse muziek [...] zo ijl, alsof ze uit louter fluisterzachte flageoletten bestond.’ Zowel muzikale als culinaire humbug, als je het mij vraagt (wat, weet ik ook wel, niemand doet).

Op pagina 205 bleef mijn lezend oog hangen aan een descriptie, van een oorlogsscène, die zijn pretenties niet waar lijkt te kunnen maken:

Kapotgeschoten muren stonden hier en daar nog overeind, sommige al half overgroeid als een oud kerkhof met omvergeworpen zerken – stillevens in onverschillig landschap.

Ik vraag me er het volgende bij af.
1) Verwacht de langstrekkende patrouille van velders, afgaand op dat ‘nog’, het spoedig omvallen van de kapotgeschoten muren?
2) Is er vroeger ook al een oorlog geweest daar? De restanten van de muren zijn immers al half overgroeid; dat vergt wel een seizoen of twee, afhankelijk van het soort gewas.
3) Wat moet ik me voorstellen bij een half overgroeid kerkhof? Dat vergt zo mogelijk nog meer tijd, en pas nadat er een stel vandalen is geweest dat er zerken heeft omvergeworpen.
4) Is het ‘nog overeind’ staan van de kapotgeschoten muren niet meer een contrast met ‘omvergeworpen zerken’ dan een overeenkomst of analogie waar je een vergelijking op kunt bouwen?
5) De metafoor ‘stilleven’ als aanduiding voor grafzerken is misschien wel goed gevonden, maar zijn de ‘kapotgeschoten muren’ in deze metafoor niet de tenor bij het vehicle stillevens’?

De laatste twee woorden van dit citaat doen me denken aan de thematiek van Armando, een realistische thematiek, een historische thematiek met grote zeggingskracht, een kracht die ontbreekt in het oorlogsverhaal in deze roman.

Op pagina 216 zit Elders, op wacht ‘met het geweer tussen de knieën’, naar de sterren van de Melkweg te kijken en peinst:

in een eindeloos lange guirlande stroomden ze hoog boven hem voorbij, oneindig traag zwermend aan de hemel

Twee kanttekeningen hierbij.
1) De sterren stromen niet alleen maar zwermen tegelijk, en hun guirlande is niet lang maar eindeloos lang, zoals ze ook niet traag zwermen maar oneindig traag. Te veel, veel te veel van het goede.
2) Dat de sterren boven hem te zien zijn, en zelfs hoog boven hem lijkt al onnodig om te vermelden. Maar onze held toept er nog overheen met aan de hemel. Het mocht de lezer eens ontgaan.

Ook op pagina 233 wordt er weinig zinnigs gezegd met te veel woorden:

Na een lange mars van drie uur door de middaghitte

Alsof er de volgende dag nog een korte mars van zevenendertig uur zou kunnen volgen, door de dageraad wellicht.

Jammer, het begon zo goed.