dinsdag 18 augustus 2026

Vakantielectuur

De vakantie bracht ons dit jaar naar de voormalige DDR, meer in het bijzonder Berlijn en Böckenberg. We gingen op reis en ik nam mee:

1. Herta Müller, Atemschaukel. Roman. Carl Hanser Verlag, München, 2009. Een afgeschreven bibliotheekboek van 300 bladzijden, inclusief Nachwort.

Ik was er thuis aan begonnen, en verder lezend op een terrasje van een Italiaan aan de Fuldastraße in Berlijn bekroop me langzamerhand de vrees dat de roman toch iets te veel begon te lijken op een, met de schijn van een verhaallijn opgekalefaterde, encyclopedie van het vlak-naoorlogse Sovjet-Russische dwangarbeiderschap in het kader van de herstelbetalingen. Dat leek me niet direct ideaal voor mijn vakantiewelzijn. Wellicht pak ik de draad thuis weer op, want eerlijk gezegd intrigeert me de materie wel.

2. Aya Zikken, Voor het vandaag werd had ik ook nog niet geheel uitgelezen van huis meegenomen en dat boek, nou ja, zie hier. Het kijkje achter de schermen van het roemruchte tv-programma ‘Houd je aan je woord’ had ik al in een ander boek van Zikken gelezen. Te veel gebabbel. Dus ben ik halverwege gestrand en afgehaakt.

Ik had een apparaatje meegenomen op vakantie en heb toen nog wel, daar diep in de DDR, de moeite genomen er een berichtje aan te wijden. Met een tikfout natuurlijk; inmiddels rechtgezet, nadat iemand me erop wees via Neerlandistiek.nl . Waarvoor dank.

3. In minder dan geen tijd heb ik daarna Regen gelezen, eine Liebeserklärung, een theatermonoloog van Ferdinand von Schirach (btb, München, 2025, oorspr. 2023). De eigenlijke tekst staat op p. 7-58. Daarna volgt nog een interview met de auteur (en acteur) op p. 61-108, wellicht omdat het paperbackje met flapjes anders wat al te dun was.

Enerzijds vind ik heel die monoloog maar een vreemd, zwenkend, uitwaaierend en weer inklapperend ding. Pas op het eind vallen alle losse stukjes samen als een geheel, dat onder veel meer handelt over ambivalentie als ‘das Schlüsselwort unserer Zeit’ en ‘der Kern unserer ständig verfeinernden Zivilisation’. Al het beschouwelijke gedwarrel is onderdeel van het uitstel van de uiteindelijke, smartelijke liefdesverklaring.

Dus pas achteraf, en in mijn geval ook: pas na tweede lezing, onmiddellijk na de eerste, is deze monoloog heel mooi, samenhangend en aandoenlijk. Ook het voortdurend aankloppende inzicht dat er geen onbevangenheid is, dat de mens bevangen is, bevangen in zichzelf en dus vooringenomen, daar lijkt me wel wat voor te zeggen; het is althans binnen deze monoloog heel overtuigend.

4. Mariana Leky, Die Herrenausstatterin. Roman. 5. Auflage. Dumont, Köln, 2018 (oorspr. 2010) was het volgende vakantieleeswerk. Licht absurdistisch, waardoor je tegelijk ziet dat het absurde hooguit een uitvergroting is van een gewoon menselijk aspect. De toon is wat sullig, simpel en ook wel sloom. Het gaat, net als de monoloog van Von Schirach uiteindelijk, over een verloren geliefde. In dit geval komt er de dreiging bij van het ‘Hinterhersterben’, ook bekend als het ‘Wittweneffekt’.

Het gewone raakt in dit boek het onverwachte, het onvoorziene of het absurde op intensieve wijze. In  het leven van hoofdpersoon Katja duikt na het sterven van haar man Jakob opeens een doctor Blank op, een gestorven docent klassieke filologie, die alleen zij kan zien, wellicht doordat zij ook in een soort tussenwerkelijkheid terecht is gekomen. Hij staat haar bij, net als Armin, de kleptomane brandweerman die niets te blussen heeft en die vriendschap aanknoopt met de door hem bewonderde Karate Kid-acteur McQuincey. Gevieren ondernemen ze een roadtrip naar Zandvoort, waar de acteur helaas achterblijft om een nieuw leven op te bouwen, als zweminstructeur.

De ontwikkelingen zijn even talrijk als onverwacht. Ik werd althans, om iets te noemen zonder alles te verspillen, verrast door het gegeven dat er gaten in dr Blank vallen en dat Katja die tijdelijk weet te repareren met pleisters. Eenieder leidt een ander door en uit zijn of haar teleurstellingen maar vooral ook weg van verkeerde vooronderstellingen. Zo lijkt het boek ook op dat punt uiteindelijk thematisch verwant te zijn aan Regen. Ook de ietwat melancholische sfeer lijkt me een overeenkomst. Maar in Die Herrenausstatterin overheerst het (ogenschijnlijk) dwaze en het komische; dat laatste ontbreekt in Regen vrijwel geheel.

5. Tot slot ben ik aan het eind van de vakantie tot halverwege Blankow oder Das Verlangen nach Heimat (2009) geraakt, van Paula de Bok. Ik begon in de Duitse vertaling (een gratis leesproef), maar ben wegens de vele descripties halverwege het eerste hoofdstuk overgestapt op de Nederlandstalige e-uitgave (Atlas Contact, Amsterdam, 2006).

Een semi-journalistieke roman over een vrouw die zich, met haar hond, uit het hectische Berlijnse leven terugtrekt op een deels vervallen, deels opgeknapte boerderij van vrienden op het verlaten Oost-Duitse platteland. Ze stuit daar voortdurend op sporen van het verleden, wat heel interessant is als je al lezend vertoeft in Plattenbau in een klein Brandenburgs Ort aan de rand van enorme landerijen vol hazen en reeën waarboven ooievaars, kraanvogels en zeearenden het zonovergoten hemelblauw doorkruisen.

Traag als zo’n statige Adler gaat de vertelling. Zonder flitsende ontwikkelingen. Heel anders dan het boek van Leky. Thuis lekker langzaam verder in lezen.

zondag 2 augustus 2026

Aya Zikken, Voor het vandaag werd

Ontmoetingen met schrijvers in de jaren zestig.
Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen 2000. Paperback, 258 bladzijden, inclusief Personenregister.

Op het achterplat wordt de eerste pagina van het boek geciteerd, en daar draait Zikken er niet omheen:

Dit boek pretendeert niet om behalve de afgedrukte portretten, ook de geschreven portretten van schrijvers uit de jaren zestig te leveren.
     In dit boek beschrijf ik (weer) voornamelijk over mijzelf en deze bladzijden bevatten waarschijnlijk meer autobiografische stof dan ik tot nu toe ooit gebruikte.

De gesprekken met de schrijvers, van Bertus Aafjes tot en met Beb Vuyk (maar niet alfabetisch geordend) vonden plaats terwijl Zikken en haar vriend Ger fotografische portretten van hen maakten, bestemd voor het Letterkundig Museum (tegenwoordig het Literatuurmuseum geheten, toen nog in Den Haag gevestigd, binnenkort te Utrecht).

Aya Zikken liep ten tijde van de gesprekken en de portretten ‘tegen de vijftig’; dat moet dus voor 21 september 1969 geweest zijn. Wie vriend Ger is, staat er niet bij, niet in de tekst wanneer hij genoemd wordt, niet in het colofon, niet in de verantwoording (want die is er niet), misschien in het Personenregister (p. 255-258), maar dat is alfabetisch geordend op achternaam.

Als ik Zikken lees, valt me geloof ik steeds het woord ‘eigenzinnig’ in. Nu ook weer. Hoewel het merendeel van de ‘besproken’ schrijvers me niet bijster boeien, trok de naam Aya Zikken me een paar dagen geleden met haar boek in de hand naar de kassa van de tweedehands-boekenwinkel. Onbewust zocht ik, denk ik, afleiding van de twee boeken waar ik nu al heel lang in aan het lezen ben, maar die betrekkelijk gruwelijk zijn: Houris (2025) van Kamel Daoud en Atemschaukel (2009) van Herta Müller. Niet dat Zikken van de wereld afgewend schrijft, maar schrijven over het thema genocide is wel een ander chapiter.

Het is een paar dagen later, ik zit gerieflijk verborgen in een minuscuul Ort in Brandenburg. Bij pagina 108 aangekomen (Jacques Bloem is net overleden, ook dat nog) hang ik mijn leesbril teleurgesteld aan de metaforische wilgen. Het boek is helaas een onnozele, literair georiënteerde, kletserige lappendeken van drankovergoten anekdoterij waar de kraanvogels hier in de buurt van de leg van raken.

De katerntjes portretfoto’s hebben, met andere middelen, een vergelijkbaar effect. Ze zijn slecht gekaderd, en keihard (over)belicht door het gebruik van een kale, directe flits die ook nog eens inktzwarte, monstrueuze schaduwen werpt op de achtergrond van de schrijvers die in de jaren zestig kennelijk allen gehavend waren door eenzelfde grijs-bruin-oranje gezichtshuidaandoening.

De aangekondigde autobiografische stof is er niet een die veel doet opwaaien in de eerste honderd bladzijden die ik las.

‘Helaas’, zou Jacques Bloem zeggen.


Dit bericht kreeg ’n tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici